
Op deze pagina over de zijlader Ooster-Schelde:
- De Zeeuwse jaren (1933-1972): De bouw van de drie ‘crisisboten’, de feestelijke indienststelling op de Oosterschelde en de jaren op Terneuzen-Hoedekenskerke
- Ontwerp & Techniek: Het vooruitstrevende ontwerp met een roer aan beide zijden en de originele Schelde-Sulzer dieselmotor die nog altijd in de machinekamer staat
- De Tweede Wereldoorlog: Tot zinken gebracht in Breskens, getroffen bij het bombardement op Vlissingen en met 6 meter verlengd bij het herstel
- Verhuurd aan Doeksen: Zomers als autoveerboot op de dienst Harlingen – West-Terschelling
- Na de PSD (1972-nu): Sportvisboot en discotheek Jutter in Den Helder, bunkerschip bij Dodewaard, drijvend restaurant in Lelystad, Amsterdam en Zwolle
- De reddingsactie: Hoe PSDnet.nl de veerboot terug naar Vlissingen probeerde te halen
- Technische gegevens & Foto’s: Bekijk alle technische gegevens en de fotopagina met alle foto’s
De tweede van drie nieuwe zijladers voor de PSD in crisistijd
De Ooster-Schelde (na de oorlog Oosterschelde geheten) is de tweede veerboot uit een serie van drie moderne zijladingsveerboten van de Provinciale Stoombootdiensten in Zeeland (PSD). Gedeputeerde Staten van Zeeland besloten op 26 augustus 1932 tot de bouw van drie identieke stalen motorveerboten voor de kleinere veerdiensten op de Wester- en Oosterschelde. De aanbesteding werd gegund aan de Koninklijke Mij. De Schelde in Vlissingen. De officiële order volgde op 14 oktober 1932 en op 24 november 1932 tekende de werf het contract.
Een opvallende keuze, aangezien De Schelde bij de aanbesteding niet de goedkoopste offerte kon aanbieden. Provinciale Staten zag de order graag binnen Zeeland blijven en ook de gemeente Vlissingen had hier belang bij ‘gezien de stad door slapte van het werk aan De Schelde zeer getroffen werd’, valt te lezen in het tijdschrift Het Schip eind 1932. Daarom gaf de gemeente Vlissingen een subsidie gelijk aan het verschil in kosten van de bouw bij De Schelde en de laagste inschrijver. Omdat de drie schepen in tijden van crisis gebouwd werden, kregen zij ook wel de bijnaam ‘crisisboten’. Vanwege de spitse rompvorm werden ze daarnaast ‘puntboten’ genoemd. Lees over de voorgeschiedenis van deze aanbesteding meer op de pagina van zusterschip Koningin Emma.
Stapelloop op de noordhelling van De Schelde (juni 1933)
Bij de werf in Vlissingen stond de Ooster-Schelde te boek als bouwnummer 198. De kiel werd gelegd op 28 januari 1933, op het ondereinde van de noordhelling, direct naast bouwnummer 197: zusterschip Koningin Emma. Op maandagochtend 12 juni 1933, omstreeks zes uur, werden de Ooster-Schelde en de Koningin Emma gelijktijdig te water gelaten. Het derde zusterschip, de Prins Willem I (bouwnummer 199), volgde op 8 juli 1933.




Feestelijk in dienst op de Oosterschelde (november 1933)
Op 3 en 4 oktober 1933 maakte de Ooster-Schelde haar technische proeftocht. Na de officiële proeftocht op maandag 20 november 1933 werd de veerboot afgeleverd aan de Provinciale Stoombootdiensten. Op woensdag 29 november 1933 werd het schip feestelijk in dienst gesteld op de Oosterscheldedienst Zierikzee – Katscheveer – Wolphaartsdijk – Kortgene, over de rivier waarnaar de veerboot vernoemd is. Voorheen onderhielden schroefstoomschepen deze dienst. Een lokale krant schrijft over deze festiviteit:
Na begroeting der autoriteiten, ging de directeur van den Oosterscheldedienst voor om het prachtige motorschip eens geheel op te nemen.
Het schip werd door de opvarenden geprezen vanwege het ontwerp waarmee ook makkelijk achteruit gevaren kon worden. Het achteruitvaren was een traditie bij de PSD en bovendien nodig om het Havenkanaal van Zierikzee te verlaten.
In dichte mist de dijk op (januari 1934)
Op dinsdagmorgen 9 januari 1934 voer de Ooster-Schelde in dichte mist de dijk op, tussen Wolphaartsdijk en Katscheveer. Op dat moment waren er geen passagiers aan boord. Bij de eerste poging kwam het schip niet vlot en moest er gewacht worden op het volgende tij. De reserveboot Luctor et Emergo nam de dienst over. Het bleef niet bij die ene stranding: op 8 februari 1940, toen de dienst na zware ijsgang net hervat was, liep het schip bij dichte mist en ijsgang opnieuw aan de grond op weg naar Zierikzee. Ditmaal kwam de veerboot op eigen kracht vlot.
Het ontwerp: een zijlader met koproer
De veerboot oogt modern voor de tijd waarin het ontwerp gemaakt is. De drie zusterschepen waren de eerste zijladers die gebouwd werden op het vervoer van auto’s. De Ooster-Schelde beschikt naast het gewone roer ook over een koproer. Door middel van een elektrische stuurinrichting kan het koproer makkelijk worden bediend tussen de sloepen op het promenadedek.
Het ontwerp van de veerboten was van de hand van het ingenieursbureau voor scheepsbouw M.A. Cornelissen te Amsterdam. Hetzelfde bureau heeft ook andere PSD-veerboten ontworpen, gelijkenissen met schepen als de Zeeuwsch-Vlaanderen zijn dan ook zeker te zien. Onder-directeur van het bureau D. Schouten hield persoonlijk toezicht op de bouw en was waarschijnlijk ook de hoofdontwerper van de veerboot. Ook de Koningin Wilhelmina (1927) was van zijn hand.
De Schelde-Sulzer dieselmotor: als enige nog altijd origineel
De Ooster-Schelde werd net als haar zusterschepen uitgerust met een tweetakt vijfcilinder dieselmotor (420 APK, 260 omwentelingen per minuut) van het fabrikaat Schelde-Sulzer. Scheepswerf en machinefabriek De Schelde mocht tussen 1921 en 1985 motoren bouwen in licentie van Sulzer. De machine in de Ooster-Schelde is van het type ‘5 RK-SP 36’ en meet 3,6 x 4,6 meter. De motor, met nummer 439, werd op 3 augustus 1933 getest in de Machinefabriek en enkele dagen later, op 8 augustus 1933, in de veerboot geplaatst. Naast de hoofdmotor staan er ook nog een hulpmotor van Bolnes en generatoren in de machinekamer.
Bijzonder: waar zusterschip Koningin Emma (toen al Estrella geheten) in 1980 een vervangende motor kreeg, staat in de Oosterschelde de originele Schelde-Sulzer uit 1933 nog steeds in de originele machinekamer.
De Meidagen van 1940: troepentransport over de Westerschelde
Op de dag van de Duitse inval, 10 mei 1940, werd de Ooster-Schelde onder militair bevel in beslag genomen en naar Terneuzen gestuurd om te dienen voor troepentransport van en naar Hoedekenskerke. Dit in tegenstelling tot de zusterschepen Koningin Emma en Prins Willem I, die al eerder gevorderd waren en werden ingezet als hulpmijnenleggers van de Koninklijke Marine. Tijdens de Meidagen werd het schip op verschillende diensten ingezet, uiteindelijk vooral tussen Vlissingen en Breskens.
Geregeld vonden er beschietingen en bombardementen plaats tijdens het transport van militairen over de Westerschelde. In het artikel Onder vuur en schot is het indrukwekkende verslag te lezen dat de kapitein van de Ooster-Schelde over deze dagen schreef.
De Ooster-Schelde ligt relatief veilig in de haven als kapitein Verdoorn een revolver op z’n borst gedrukt krijgt. Een Franse officier wil dat er gevaren wordt met de Ooster-Schelde.
Tot zinken gebracht in de haven van Breskens (mei 1940)
Zeeland bleek onverdedigbaar geworden en Middelburg was in vuur opgegaan. Door terugtrekkende Franse militairen, die Zeeland hadden geholpen met de verdediging, werd de Ooster-Schelde op 17 mei 1940 in brand gestoken en tot zinken gebracht in de haven van Breskens. Op deze manier kon het schip niet ten prooi vallen aan de Duitse bezetter, was de gedachte destijds.
Een wrak op tour: van Breskens via Middelburg naar Perkpolder
Relatief snel werd het schip gelicht en op 20 augustus 1940 naar scheepswerf De Schelde in Vlissingen gesleept. Op 20 september 1940 werd de Ooster-Schelde verhaald naar Middelburg en vier dagen later naar een terrein aan de Arne, naast de meelfabriek. Medio 1941 werd opdracht gegeven de veerboot te herstellen en daarbij de tweedeklasse deksalon op te offeren voor een groter autodek. Het wrak werd op 19 augustus 1941 naar de nieuwe veerhaven van Perkpolder gesleept, om op 29 maart 1943 weer terug te keren naar de werf in Vlissingen.
De bezetter wilde vaart zetten achter het herstel van de veerboten, teneinde deze zelf te kunnen inzetten mocht dat nodig zijn. Op foto’s is te zien dat er destijds davits zijn aangebracht op het autodek, wellicht omdat de bezetter ook mijnen te water wilde kunnen zetten met de schepen.
Het bombardement op Vlissingen (juni 1943)
In de nacht van 31 mei op 1 juni 1943 werd Vlissingen getroffen door een zwaar geallieerd bombardement. Een bom viel op de werf precies tussen de Prins Willem I en de Ooster-Schelde in en resulteerde in twee doormidden gebroken en gezonken veerboten. Wrang genoeg was de zijlader bijna vaarklaar toen de bom insloeg. De Ooster-Schelde zou definitief niet meer in de vaart komen tijdens de oorlog: de reparatie werd met slimme sabotage vertraagd door het werfpersoneel. Op 19 juni 1943 werd het schip met behulp van drie drijvende bokken van de bodem van de Dokhaven gelicht en op de kade gezet.
Herstel en verlenging met 6 meter (1945-1946)
Na de bevrijding kregen de Ooster-Schelde en de Prins Willem I voorrang bij het herstel. Aangezien er nog weinig auto’s reden en brandstof schaars was, waren de kleine zijladers harder nodig dan de grote kopladingsveerboten Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik. De PSD gaf op 26 januari 1945 aan De Schelde de opdracht om beide schepen te herstellen. Het werk begon op 5 mei 1945. De achtersalon verdween ten behoeve van een grotere dekruimte voor het vervoer van auto’s en de schepen waren uiteindelijk 6 meter verlengd.
Van Ooster-Schelde naar Oosterschelde
Bij het herstel kwam ook het koppelteken in de scheepsnaam te vervallen: voortaan heette de veerboot Oosterschelde. Op maandagmiddag 26 augustus 1946 ging het herstelde schip opnieuw te water. Zusterschip Prins Willem I was een maand eerder al te water gelaten. De tweede stapelloop van de Oosterschelde werd verricht door mevrouw Woltjer-Doorman. Op vrijdag 18 oktober 1946 volgde een geslaagde proefvaart in gezelschap van minister-president Beel en Commissaris van de Koningin Jhr. Johan Willem Quarles van Ufford, waarna het schip werd overgedragen aan de PSD. Eind oktober 1946 kwam de Oosterschelde weer in de vaart op de dienst Vlissingen-Breskens, waar zij tot 1948 bleef varen. Door de verlenging kon het schip 18 auto’s per dienstreis overzetten, voorheen waren dat er 10.
Primeur: de eerste Zeeuwse veerboot met radar (1948)
In december 1948 werd de Oosterschelde als eerste Zeeuwse veerboot uitgerust met een radarinstallatie. Op 28 januari 1949 kwam het schip weer in de vaart, nu met radar. De kosten voor het inbouwen van de radar bedroegen 37.035 gulden, een gigantisch bedrag als je bedenkt dat de bouw van het complete schip in 1933 ‘slechts’ 187.171 gulden gekost had.
De veerboot bij de Watersnoodramp van 1953
Omdat het schip feitelijk platgebrand was in de oorlog en vanaf de romp opnieuw opgebouwd werd, kon het nog jaren mee. De veerboot hield het dan ook langer vol in de PSD-vloot dan het in de oorlog ongeschonden zusterschip Koningin Emma. Toen de vloot weer op orde was, kwam de Oosterschelde in dienst tussen Terneuzen en Hoedekenskerke, waar zij de gehuurde veerboot Koningsplaat verving.
Na de Watersnoodramp van 1953 voer de Oosterschelde als evacuatieschip: op 14 februari 1953 bracht het schip evacués vanuit Zierikzee naar Dordrecht, een taak die voornamelijk zusterschip Prins Willem I uitvoerde. Een jaar later, op zaterdag 13 maart 1954, viel de veerboot koninklijk bezoek ten deel: H.M. Koningin Juliana voer met de Oosterschelde van Vlissingen naar Breskens voor een bezoek aan Zeeuws-Vlaanderen.
Toen de Koningin Emma in 1955 verlengd werd, viel de Oosterschelde enkele maanden in op de dienst Zierikzee-Katscheveer om op 19 april 1955 terug te keren op Terneuzen-Hoedekenskerke. Eind juni 1957 voer het schip enkele dagen tussen Kortgene en Wolphaartsdijk, wegens het uitvallen van de veerboot Noord-Beveland. Op 30 januari 1958 liep de Oosterschelde na vertrek uit Zierikzee bij laag water en mist opnieuw vast, ditmaal aan de Noord-Bevelandse kust. Bij hoogwater kwam het schip op eigen kracht vlot. Op 31 mei 1958 verzorgde de Oosterschelde de laatste afvaart vanuit het havenkanaal aan ’t Luitje in Zierikzee: die dag werd de nieuwe veerhaven De Val in gebruik genomen.
Verhuurd aan Doeksen: zomers naar Terschelling
De Oosterschelde werd vercharterd aan Rederij Doeksen en in de zomers tussen 1959 en 1963 ingezet op de veerdienst Harlingen – West-Terschelling. Op 30 juni 1959 vertrok het schip voor het eerst vanuit Vlissingen: binnendoor naar Rotterdam, vervolgens over zee naar Den Helder en via de Waddenzee naar Terschelling. De Zeeuwse veerboot werd speciaal gebruikt om veel auto’s naar het eiland te vervoeren. Doeksens eigen vlaggenschip de Friesland (bouwjaar 1956) had daarvoor namelijk weinig ruimte. Leuk detail: beide schepen hadden dezelfde ontwerper.
In dienst bij Doeksen was in die jaren ook nog de Schellingerland, de voormalige Zeeuwsch-Vlaanderen die in 1933 naar Terschelling verkocht was, juist vanwege de komst van (onder andere) de Oosterschelde. In de PSD-vloot zijn die schepen elkaar nooit tegengekomen.
De laatste PSD-jaren (1965-1972)
Na de opheffing van de Oosterscheldedienst tussen De Val en Kats in december 1965, toen de Zeelandbrug het veer overbodig maakte, voeren de Oosterschelde en zusterschip Prins Willem I beurtelings een half jaar op Terneuzen-Hoedekenskerke, om daarna een half jaar stil te liggen.
Eind december 1968 werd de zijlader twee weken lang samen met de Prinses Christina ingezet op Kruiningen-Perkpolder. Rijkswaterstaat voerde werkzaamheden uit aan de kleine fuiken, die gebruikt werden door de Koningin Juliana en de Prins Bernhard, waardoor alleen de dubbeldekker Prinses Christina beschikbaar was en de zijlader Oosterschelde als versterking kwam invallen. Een uitzonderlijke combinatie van een schip uit 1968 en 1933 met een capaciteit voor respectievelijk 185 versus 18 auto’s.
Na de opheffing van het veer Terneuzen-Hoedekenskerke op 2 januari 1972 was de Oosterschelde overbodig geworden. De laatste dienst waarop met zijladers gevaren werd was opgeheven en het schip werd samen met de Prins Willem I opgelegd in de Tweede Binnenhaven aan de Prins Hendrikweg te Vlissingen, achter het PSD-kantoor. Nog diezelfde maand besloot de PSD beide schepen bij inschrijving via de Domeinen te verkopen. Belangstellenden konden de veerboten van 10 tot 31 januari 1972 bezichtigen.
Verkocht naar Den Helder (1972)
Op 23 februari 1972 werd de Oosterschelde via de inschrijving aangekocht door mr. Eduard Tak uit Middelburg, directeur van de N.V. Metaalmaatschappij M.L. Polak & Zoon, voor 29.211 gulden. Tak liet het schip niet slopen, maar verkocht het direct door aan Th. F. Nebbeling in Den Helder. Op 13 maart 1972 vond de overdracht plaats bij notaris Meylink in Middelburg en op vrijdag 24 maart 1972 werd vanuit Vlissingen een proefvaart gehouden, met behulp van een PSD-kapitein en een scheepswerktuigkundige.
Kennelijk beviel het schip, want op maandag 27 maart 1972 vertrok de Oosterschelde vanuit de Vlissingse Buitenhaven naar Den Helder. De tocht ging binnendoor, aangezien de veerboot bij de scheepvaartinspectie ingeschreven stond als binnenvaartschip. Amsterdam werd vanwege de verkeersdrukte ’s nachts gepasseerd. Op 30 maart 1972 kwam het schip aan in Den Helder. De meegereisde PSD-scheepswerktuigkundige vulde vier dagen in op zijn loonstrookje: ongeveer 800 gulden moest Nebbeling voor deze dienst betalen. Hij verzuimde echter op tijd te betalen, tot ongenoegen van de PSD, die op 16 juni 1972 nog een herinnering stuurde. Of de rekening ooit is voldaan, vermeldt het PSD-archief in Middelburg niet.
Als Jutter: sportvisboot en drijvende discotheek
In Den Helder kreeg de voormalige veerboot de naam Jutter. Het schip verzorgde een tijdje sportvistochten op de Noordzee, met een maximale capaciteit van 250 passagiers. Daarnaast werd het schip gebruikt als drijvende discotheek. Al in 1973 werd de Jutter opgelegd in Amsterdam.
Bunkerschip aan de Waal bij Dodewaard (1974-1980)
In 1974 werd het schip gekocht door Ton Wanders, een Rotterdamse binnenschipper. De Jutter kreeg een ligplaats in een grindgat aan de Waal, tegenover scheepswerf Hendriks aan de Waalbandijk bij Dodewaard. Het schip deed er dienst als olieopslag: wanneer Wanders met zijn binnenschip terugkeerde van een Rijnvaart, bunkerde hij uit de voormalige veerboot.
Drijvend restaurant Prins Willem I in Lelystad (1982)
In 1980 kocht W.B. Luttikhuizen uit Lelystad het inmiddels verwaarloosde schip, om het om te bouwen tot drijvend restaurant. De originele Schelde-Sulzermotor werd opgeknapt, waarna de Jutter op eigen kracht van Dodewaard via de Houtribsluizen naar Urk voer. Daar ging het schip op de helling bij scheepswerf Metz voor het onderwaterschip. In Trintelhaven aan de Houtribdijk werd het casco gestraald en geverfd, waarna bij scheepsreparatiebedrijf Sietse van der Werff in Lemmer de verbouwing tot restaurant volgde. De totale verbouwing nam zo’n elf maanden in beslag.
Het schip kreeg de naam Prins Willem I, de scheepsnaam van het toen inmiddels gesloopte zusterschip. Luttikhuizen vond Prins Willem I een meer aansprekende scheepsnaam omdat dit volgens hem een bekender schip was. Op vrijdag 4 juni 1982 werd het drijvende restaurant, na een rondvaart over het Markermeer, officieel geopend door burgemeester J.P.A. Gruyters (Lelystad) en afgemeerd aan de Oostvaardersdijk bij informatiecentrum Nieuw Land.
In de zomer van 1985 was het schip op eigen kracht aanwezig bij Sail ’85 in Amsterdam. Datzelfde jaar verkocht Luttikhuizen het schip aan zijn compagnon Brouwer. Nadat informatiecentrum Nieuw Land in 1987 volledig uitbrandde en de trekpleister bij de ligplaats verdween, verhuisde de Prins Willem I naar Amsterdam, waar het schip werd afgemeerd in het Nautisch Kwartier in het Oosterdok, naast de ingang van de IJ-tunnel.
Partyschip Willem Jan en als Ooster-Schelde in Zwolle (1990-nu)
In 1990 werd het schip, dat werkloos en in staat van faillissement in Amsterdam lag, voor 35.000 gulden gekocht door Hans Borrel uit Zwolle. Na een onderhoudsbeurt bij wederom werf Metz op Urk voer het schip op eigen kracht naar Zwolle waar het werd afgemeerd aan de Pannekoekendijk in de Schuttevaerhaven. Het drijvende restaurant kreeg de naam Willem Jan, genoemd naar de zoon van de kennis die Borrel op het spoor van het schip had gezet. Later heette de voormalige veerboot kortstondig Borrelsboot, om in 2009 weer Partyschip Willem Jan te worden gedoopt.
Op 7 juli 2007 werd het schip voor een droogdokking naar Urk gesleept. Een week later lag het alweer in Zwolle. In 2012 opende aan boord biefstuk-restaurant ‘Hansje aan de Kade’, maar in oktober 2013 legde de Belastingdienst beslag op de horeca-inboedel na een betalingsachterstand. Het schip zelf werd te koop aangeboden voor 160.000 euro en begin 2014 werd de restaurantinventaris geveild.
Reddingsactie voor de Oosterschelde
De werkgroep PSDnet.nl is in 2014 een reddingsactie begonnen om te voorkomen dat de voormalige Oosterschelde gesloopt zou worden. Geprobeerd werd om het schip terug naar Zeeland te halen als maritiem erfgoed. Eind 2014 gaf de Gemeente Vlissingen toestemming om de veerboot in Vlissingen af te meren en in maart 2015 werd een investeerder gevonden die de Oosterschelde wilde kopen. In april 2015 begonnen de onderhandelingen tussen deze ondernemer en de toenmalige eigenaar van het schip in Zwolle.
Oosterschelde niet naar Vlissingen
Eind juli 2015 werd bekend dat de voormalige PSD-veerboot Oosterschelde toch niet naar Vlissingen komt. In mei bleek het schip te zijn verkocht aan twee Zwolse ondernemers, tot grote verrassing van PSDnet.nl en de Vlissingse investeerder, die hierover niet ingelicht werden. Later lukte het PSDnet.nl om het zusterschip van de Oosterschelde naar Vlissingen te halen, de zijlader Koningin Emma (1933).
De voormalige Oosterschelde is sindsdien weer een horecaschip in Zwolle. De eigenaren hebben laten weten dat het schip de originele naam Ooster-Schelde terugkrijgt. Niet helemaal historisch correct, omdat de veerboot na de verlenging van 1946 Oosterschelde heette en het schip in Zwolle nog steeds verlengd is. Op 5 juli 2016 vertrok de voormalige veerboot voor het eerst sinds 2007 naar de werf: op Urk werd het schip op het droge gezet voor onderhoud, waarbij onder meer het onderwaterschip weer rood geschilderd werd. De Ooster-Schelde ligt nog altijd in Zwolle met de bijzonder Schelde-Sulzer in de machinekamer.




Foto’s PSD-zijlader Oosterschelde
Bekijk alle Zeeuwse foto’s van de PSD-veerboot Oosterschelde (1933) op de fotopagina.
























