Op deze pagina over de stoomboot Walzoorden:
- Een eigen boot voor een nieuwe lijn (1904-1905): De eerste uitbreiding van het provinciale net sinds 1866
- Elektrisch licht en Cubaans mahonie: Het bestek van een klein maar modern schip
- Zoet water uit zeewater: Waarom de Walzoorden een eigen ontziltingsinstallatie kreeg
- Een tegenvallende snelheid (1905-1912): Negen mijl in plaats van elf en de overstap naar de Oosterschelde
- Nadagen en einde (1929-1932): Een stranding bij de Zandkreek, een minister aan boord en de verkoop
Een eigen boot voor een nieuwe lijn (1904-1905)
Over de vaart op de Bovenschelde werd al sinds 1869 geklaagd en de Provincie hield de dienst er jarenlang met subsidies aan particulieren in stand. De komst van de stoomtram van Hulst naar Walsoorden bracht zoveel reizigers op de been dat het roer omging: op 15 juli 1904 besloten de Staten de dienst Walzoorden-Hansweert vanaf 1 januari 1905 voor eigen rekening uit te voeren. Samen met de tram tussen Hansweert en station Vlake vormde het veer zo de schakel tussen oostelijk Zeeuws-Vlaanderen en de spoorlijn. Hetzelfde Statenbesluit machtigde Gedeputeerde Staten om een stoomboot te laten bouwen.
Het contract werd op 2 september 1904 getekend met de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij in Leiden, die zelf voor bestek en tekeningen zorgde. De aanneemsom bedroeg 49.700 gulden en met de bijkomende kosten erbij kwam de Walzoorden op 53.593,55½ gulden. De levertijd was gesteld op 15 april 1905. Op zaterdag 4 maart 1905 liep het schip in Leiden van stapel en op 10 mei 1905 kwam het voor het eerst aan in Vlissingen.
Elektrisch licht en Cubaans mahonie
Het bestek beschrijft een stalen schroefstoomboot van 33 meter tussen de loodlijnen, 6 meter breed, met een holte van 2,80 meter en een diepgang van ongeveer 1,50 meter voor en 2,20 meter achter. De verticale compoundmachine met oppervlaktecondensatie leverde 290 ipk bij ongeveer 180 omwentelingen per minuut, gevoed door een ketel van 9 atmosfeer. Op de proeftocht moest het schip 11 Engelse zeemijl per uur halen.
Klein als de boot was, aan comfort ontbrak het op papier niet. De eerste kajuit was betimmerd in Cubaans mahoniehout, afgezet met satijnhout, met rondlopende banken bekleed met ‘bronskleurig, geschoren trijp’, een toilet met wasgelegenheid en een hut met één kooi voor de kapitein. De tweedeklaskajuit had een eigen toilet en een hut met twee slaapplaatsen. Op het dek stond een stalen dekhuis van 4 bij 3,50 meter met een ronde voorzijde, dat als ingang naar de eerste klasse diende. Het schip kreeg stoomverwarming, een handstuurlier met teakhouten handwiel, een telegraaftoestel naar de machinekamer en modern voor 1905: elektrische verlichting. Minder modern was de open brug, pas later kreeg de Walzoorden een dicht stuurhuis.
Zoet water uit zeewater
Eén praktisch probleem had niemand voorzien: vers zoet water innemen. Daarvoor moest de boot het kanaal door Zuid-Beveland in en dus geschut worden in Hansweert. Door het steeds drukkere scheepvaartverkeer op het kanaal kostte dat zoveel tijd dat de aansluitingen op beide Scheldeoevers verloren gingen. De oplossing was voor die tijd inventief: de Walzoorden kreeg voor 1.585 gulden een evaporator aan boord, een installatie die het zout aan zeewater onttrok. Het schip maakte zijn zoete water voortaan gewoon zelf.
Een tegenvallende snelheid (1905-1912)
Op 1 juni 1905 kwam de nieuwe boot in dienst tussen Hansweert en Walsoorden. De vreugde was van korte duur, want het bleek dat het schip in plaats van de bedongen 11 mijl slechts 9 mijl ‘loopt’, wat destijds een tegenvaller werd genoemd. Voor de drukke overzet bij Walsoorden was de Walzoorden bovendien aan de kleine kant. In een onbekend jaar werd de Walzoorden voorzien van een dichte stuurhut.
Het schip verhuisde later naar de Oosterschelde-dienst en werd op zijn eigen lijn vervangen door de grotere Schouwen.
Nadagen en einde (1929-1932)
Op de Oosterschelde sleet de Walzoorden zijn verdere loopbaan. Op 14 maart 1929 liep het schip in dichte mist op de kant bij de monding van de Zandkreek. Datzelfde jaar wachtte nog een eervolle klus: op 10 oktober 1929 vervoerde de Walzoorden minister Reymer over het kanaal van Gent naar Terneuzen en bracht het schip de bewindsman daarna naar Hoedekenskerke, waar hij zijn reis naar Den Haag kon vervolgen.
In 1932 werd de veerboot verkocht, vermoedelijk voor sloop in Gent.
