Op deze pagina over de raderstoomboot Zuid-Beveland:

De Zuid-Beveland (1899) was de derde en laatste raderboot van het type Walcheren, maar dan groter en rijker aangekleed. Helemaal geslaagd was het ontwerp niet, want het schip lag op de kop en moest in 1913 vijf meter langer worden gemaakt. Van de drie zusters hield de Zuid-Beveland het met 33 dienstjaren veruit het langst vol.

Eerst weggestemd, toen onmisbaar (1896-1897)

De derde boot kwam er niet zonder slag of stoot. In juni 1896 stelden zeven Statenleden voor om naast de Walcheren en de Zeeuwsch-Vlaanderen (1891) ‘een derde flinke boot’ aan te schaffen. Gedeputeerde Staten adviseerden om financiële redenen negatief en de Staten verwierpen het voorstel met 23 tegen 16 stemmen. Een jaar later was de toon volledig omgeslagen: de Walcheren en de Zeeuwsch-Vlaanderen vielen zo vaak uit voor reparaties dat Gedeputeerde Staten zelf schreven ‘dat thans de tijd gekomen is, om vermeerdering van materiaal aan te vragen, hoe noode wij dit offer ook van de Provinciale fondsen vergen’. Op 12 november 1897 gaven de Staten machtiging voor een nieuwe boot van maximaal 130.000 gulden, even snel als de zusterschepen.

Gebouwd bij De Maas in Rotterdam (1898-1899)

Het contract werd op 7 mei 1898 getekend met Maatschappij De Maas in Rotterdam, een levertijd van tien maanden werd afgesproken. Het bestek beschrijft een stalen raderboot met zes stalen schotten, een holte van 3,10 meter en een diepgang van 1,98 meter, volledig uitgerust met 16 ton kolen en 7 ton zoet water aan boord. Schip en inventaris meten ongeveer 170 ton, machine en ketel nog eens 105 ton. De hellende compoundmachine van circa 500 ipk dreef Morgan-patentwielen met ijzeren planken aan en op de proeftocht moest het schip 12½ mijl lopen.

De aanneemsom bedroeg 118.080 gulden. De werf leverde te laat en kreeg 5.480 gulden boete, maar verdiende 7.079,59 gulden aan meerwerk terug, waaronder 3.200 gulden voor een elektrische lichtinstallatie. Daarmee was de Zuid-Beveland de eerste van de drie zusters die met elektrisch licht in de vaart kwam. Met het hoofdtoezicht van W. Fenenga uit Amsterdam (2.627,60 gulden) en verdere kosten kwam het schip op 124.765,11 gulden. Het werkterrein was dat van de zusterschepen: het veer Vlissingen-Breskens en de lijn op Terneuzen.

Extra kajuit en mailkamer

De Zuid-Beveland wijkt optisch af van de andere twee schepen van het type Walcheren, vanwege de hogere opbouw aan de achterkant en een ander type achtersteven. De eerste kajuit kreeg volgens het bestek wanden van gepolitoerde (afgewerkt met schellak en opgewreven) geelhouten panelen met teakhouten pilasters en een teakhouten trap met koperen tredenlopers. Op het dek waren een rooksalon van teakhout en boven de achterpiek een aparte damessalon gesitueerd. De inrichting kwam van de Rotterdamse meubelmaker Allan: banken bekleed met donkerrood fluweel, met bijpassende gordijnen en tapijten. De bemanning had eigen hutten en het schip kreeg een aparte mailkamer voor de post, iets wat de zusterschepen misten.

Verschillen veerboten Walcheren (1887), Zeeuwsch-Vlaanderen (1891) en Zuid-Beveland (1899)

Doordat de achtersteven van de Zuid-Beveland afwijkt van de eerder gebouwde zusterschepen, lijkt het schip meer op de later gebouwde raderstoomboten Westerschelde (1905) en Zeeland (1908). Onder het achterdek had de Zuid-Beveland een extra salon met vier patrijspoorten, iets wat de latere raderstoomboten niet hadden. Dit maakt de Zuid-Beveland makkelijk te herkennen, zeker nadat het schip de kleurstelling van de Westerschelde en Zeeland aangemeten kreeg. Daarbij moest ook het lofwerk op de boeg wijken.

Verschillen veerboten Westerschelde (1905), Zeeland (1908) en Zuid-Beveland (1899)

Lofwerk

De drie PSD-zusterschepen Walcheren (1887), Zeeuwsch-Vlaanderen (1891) en Zuid-Beveland (1899) waren allen voorzien van ‘lofwerk’: de versieringen op de boeg. Hieronder een vergelijking van de verschillende patronen, waarschijnlijk afgeleid van de wapens van de naamgevende streken.

Lofwerk (versiering) op PSD-raderstoomboten

Probleem met snelheid

In verschillende kranten werd de Zuid-Beveland bekritiseerd om de snelheid bij de proefvaart: de nieuwe veerboot kwam een kwartier later aan dan het meegevaren zusterschip Walcheren. Hartman legt in zijn gedenkboek de oorzaak bloot. De Zuid-Beveland was een sterk schip, maar de machine was iets te ver naar voren ingebouwd, waardoor de boot voor dieper lag dan achter. Met vijf ton ballast achterin kwam het schip weliswaar recht te liggen, maar ook dieper. De raderen staken daardoor verder in het water en dat was ongunstig voor de snelheid.

Vijf meter erbij (1913)

In 1913 werd het euvel bij de wortel aangepakt: scheepswerf J. en K. Smit’s in Kinderdijk verlengde de Zuid-Beveland met ongeveer vijf meter, voor 34.940,63 gulden. De ballast kon eruit, de voorkajuit werd vergroot en met nog wat kleinere wijzigingen won de boot volgens Hartman ‘belangrijk in bruikbaarheid’.

Sloop (1932)

De Zuid-Beveland maakte tot 1932 deel uit van de PSD-vloot en werd toen gesloopt in Hendrik-Ido-Ambacht. Van de zusterschepen was de Zuid-Beveland daarmee veruit het langst in dienst: de Walcheren en de Zeeuwsch-Vlaanderen waren al in 1909 en 1916 afgestoten uit de PSD-vloot.

Technische gegevens: raderstoomboot Zuid-Beveland

Technische specificaties en capaciteit van de raderstoomboot Zuid-Beveland (1899)

Algemeen
Bouwjaar 1899 Verlengd 1913
IMO -
Brandmerk ? ?
Werf De Maas, Delfshaven
Bouwnummer ?
Afmetingen
Lengte 48,70 m 51 m
Breedte 6,60 m 6,60 m
Diepgang 3,10 m 3,10 m
Waterverplaatsing 98,443 t ? t
Maximumsnelheid ? kn ? kn
Dienstsnelheid ? kn ? kn
Capaciteit
Passagiers ? ?
Opp. rijdek ? m² ? m²
Eenheden ? ?

Navigatie vlootpagina's

U bekijkt nu:

Raderstoomboot Zuid-Beveland