De tweede boot van de maatschappij (1892)
In 1891 bestelde de Zeeuwsche Spoorboot-Maatschappij uit Middelburg een tweede raderboot. Het schip werd gebouwd bij De Schelde in Vlissingen en was een zusterschip van de Walcheren van de PSD. Eind november 1891 vond de stapelloop plaats en begin maart 1892 werd de stoomboot afgeleverd. Met twee boten kon de maatschappij vaker varen op de Oosterschelde-veerdienst en dat was terug te zien in het vervoer: ‘PSD-biograaf’ Hartman verklaart de sprong in de cijfers van 1892 en 1893 in zijn gedenkboek met de komst van de tweede boot. De lijn bleef groeien, van 1.165 reizigers in het beginjaar 1866 naar ruim 30.000 in 1908.
Het einde van de maatschappij (1910-1911)
Het provinciale subsidiecontract liep tot 31 december 1911. Op 6 april 1910 besloot de algemene vergadering van de maatschappij het contract niet te verlengen en de vennootschap te ontbinden. Voor Gedeputeerde Staten stond vast dat de verbinding moest blijven bestaan: ‘O.i. kan hij niet meer worden gemist’, schreven zij over de dienst. De Staten besloten op 15 juli 1910 de dienst per 1 januari 1912 als Provinciale Stoombootdienst voort te zetten, met twee nieuw te bouwen schroefboten: de Schouwen en de Noord Beveland.
Overbruggingsboot voor de PSD (1912)
Bij de liquidatie ging de No.2 over naar de Rotterdamse reder Van der Schuijt, die het schip aan de PSD vercharterde. De twee nieuwe schroefboten werden namelijk te laat opgeleverd, zodat de PSD op 1 januari 1912 met gehuurde boten van start moest. De No.2 hield de dienst gaande tot 3 maart 1912 en werd toen teruggeleverd.
Een jaar later verkocht Van der Schuijt het schip naar België, waar het als Avanti verder voer. De verdere historie ontbreekt.