Op deze pagina over de raderstoomboot Zeeland:
- De opvolger van de Walcheren: Een herstel van 55.000 gulden was de oude raderboot niet meer waard
- Gebouwd in Kinderdijk (1908-1909): Zes stalen schotten, ruim 600 pk en banken als in de spoorwagens
- Proefvaart en een aanvaring (mei 1909): Ruim een mijl sneller dan het contract eiste
- Verschillen met de Westerschelde en de Zuid-Beveland: De laatste drie PSD-raderboten uit elkaar houden
- De laatste raderstoomboot (1909-1933): Bijna 25 jaar op de Westerschelde, overbodig door de zijladers van 1933
- Foto’s PSD-raderstoomboot Zeeland
De opvolger van de Walcheren (1907)
Rond 1907 vertoonde de Walcheren uit 1887 steeds meer gebreken van de ouderdom. Het schip was moeilijk te onderhouden en twee deskundigen becijferden dat herstel 55.000 gulden zou vergen. Gedeputeerde Staten achtten het op 16 augustus 1907 niet raadzaam nog veel geld in de oude raderboot te steken. Het schip moest uit de sterkte worden afgevoerd, de Zeeuwsch-Vlaanderen uit 1891 werd bestemd tot reserveschip en op 18 oktober 1907 besloten de Staten ‘aan te schaffen eene nieuwe raderboot voor den stoombootdienst op de Wester-Schelde, van gelijke snelheid als de “Wester-Schelde”, tot een prijs van ongeveer ƒ 170.000’.
Gebouwd in Kinderdijk (1908-1909)
De opdracht ging begin 1908 naar twee buren in Kinderdijk: J. en K. Smit’s scheepswerven bouwden het schip en Machinefabriek Kinderdijk (voorheen Diepeveen, Lels en Smit) leverde de machine. Samen namen zij het werk aan voor 162.000 gulden. Het contract werd op 5 juni 1908 getekend en noemde 1 maart 1909 als leverdatum. Die datum werd niet gehaald: wegens te late levering hield de Provincie 1.000 gulden boete in. Met 2.665,20 gulden aan bijkomende kosten kwam de raderboot op 163.665,20 gulden.
Hartman beschrijft in zijn gedenkboek een stalen raderboot van 50 meter tussen de loodlijnen en 7 meter breed, met zes stalen schotten, een romp van ongeveer 200 ton en een machine- en ketelcomplex van nog eens 140 ton. De hellende triple-expansiemachine leverde in gewone dienst ruim 600 pk en dreef patentwielen van het systeem Morgan aan.
De indeling volgde die van de Westerschelde uit 1905, met een teakhouten dekhut en salons voor rokers en niet-rokers: banken met losse kussens van zwart leerdoek en ‘de ruggen gecapitonneerd als in de spoorwagens’. De tweede klasse kreeg een eigen rooksalon in de stuurboord-raderkast, vóór de trommel.
Proefvaart en een aanvaring (mei 1909)
In maart 1909 liep de Zeeland bij Smit van stapel. Het contract eiste op de proeftocht een snelheid van 13 Engelse mijl per uur. Bij de proefvaart in mei 1909 haalde het schip 14,35 mijl. Diezelfde maand ging het even buiten de haven van Vlissingen mis. De Zeeland kwam in aanvaring met de Zuid-Beveland, die averij aan de steven opliep. De Zeeland zelf bleef ongeschonden en vervolgde de tocht met de Zeeuwse commissaris van de Koningin en Gedeputeerde Staten aan boord naar Antwerpen.
Verschillen met de Westerschelde en de Zuid-Beveland
De Zeeland was het zusterschip van de Westerschelde uit 1905. Beide waren van een groter en sneller type dan de boten van het ’type Walcheren’, de serie die met de Zuid-Beveland (1899) was afgesloten. Hartman zag in de drie schepen de vooruitgang van het reizigerscomfort: de Zuid-Beveland vormde ‘met haar ééne dekhut’ de overgang naar de Westerschelde en de Zeeland, ‘met hare ruime deksalons voor rooken en niet-rooken en verdere gemakken voor het reizend publiek’.
Later kreeg de Zuid-Beveland dezelfde kleurstelling aangemeten als de twee grote raderboten, waardoor de schepen sterk op elkaar leken. De Zuid-Beveland is onder meer te herkennen aan vier patrijspoorten direct onder het achterdek. De Zeeland en de Westerschelde hadden die niet, omdat die ruimte als bergruimte diende.

De laatste raderstoomboot (1909-1933)
Na de indienststelling voer de Zeeland vanuit Vlissingen op Breskens en Terneuzen, samen met de Westerschelde en de Zuid-Beveland. Vanaf 1916 waren dit de drie overgebleven raderboten van de PSD. Nieuwe raderboten bestelde de dienst daarna niet meer, zodat de Zeeland de laatste bleef. De komst van de drie nieuwe zijladers in 1933 maakte de oude stomers overbodig. De Zeeland maakte tot december 1933 deel uit van de PSD-vloot. De Zeeland werd net als de Westerschelde verkocht aan een scheepswerf in Terneuzen, die het schip een paar jaar later liet slopen.

