Op deze pagina over de raderstoomboot Walcheren:
- Waarom een nieuw schip nodig was (1886): Treinen die niet wachten en dagjesmensen uit België
- Gebouwd bij De Schelde in Vlissingen (1887): Stapelloop, een glansrijke proeftocht en de eindafrekening
- Indeling en het elektrische licht dat nooit kwam: Hanglampen, een teakhouten rooksalon en een lege plek in de machinekamer
- Lofwerk: De versieringen op de boeg van de drie zusterschepen
- Duur in onderhoud (1897-1909): Meer reparatiekosten dan bouwkosten en de vroege verkoop
- Belgische rondvaartboot (1909-1916): Pleziertochten van de badplaatsen naar Middelburg
- Frans marineschip Grillon J (1916-1919): De Eerste Wereldoorlog en het einde van het spoor
- Foto’s Walcheren
Waarom een nieuw schip nodig was (1886)
In 1886 zat de PSD met een halve vloot: de romp van de Wester-Schelde (1867) was nog goed maar de machine versleten, terwijl bij de Zeeuwsch-Vlaanderen (1870) juist de machine deugde en de romp niet meer. Gedeputeerde Staten kozen voor nieuwe machines én een nieuw schip, met als argument de zuinige compoundmachine waarvan de Zeelandia de voordelen al had bewezen.
Vooral snelheid woog zwaar. In hun voorstel van 29 oktober 1886 klaagden Gedeputeerde Staten dat de aansluiting op het spoor te vaak werd gemist: ‘Noch de van Vlissingen, noch de van Ter Neuzen vertrekkende spoortrein wacht op onze booten.’ Ook het vervoer groeide, want grote gezelschappen trokken ’s zomers al vanuit België via Ter Neuzen naar Vlissingen. Op 5 november 1886 stemden de Staten met 34 tegen 1 in met een nieuwe boot, geraamd op 90.000 gulden.




Gebouwd bij De Schelde in Vlissingen (1887)
De opdracht ging onderhands naar de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen, die zelf bestek en tekeningen maakte. Op 16 juli 1887 liep de Walcheren daar van stapel. Op 24 september 1887 werd de boot voor het eerst ‘gesmeerd gestoomd’ en op 8 oktober 1887 volgde de officiële proeftocht, met aan boord onder anderen de commissaris des konings, leden van Gedeputeerde Staten, de burgemeester van Vlissingen, de directeur van de stoombootdienst en de directeur van de werf.
De proeftocht werd een ware demonstratie. Bij het traditionele mijlen lopen haalde de Walcheren 13,27 mijl, ruim boven de 12 mijl die het contract eiste. De oversteek van Vlissingen naar Terneuzen duurde drie kwartier, waar de oude Zeeuwsch-Vlaanderen uit 1870 er een half uur langer over deed. De aanneemsom bedroeg 89.000 gulden. Daarvan trok de Provincie 2.976 gulden af wegens onder meer het niet leveren van het elektrische licht, een wijziging van het voorroer en een boete voor te late oplevering. Met 500 gulden voor het dagelijks toezicht van J. V. Ahrensmann kostte de Walcheren per saldo 86.524 gulden. De nieuwe boot kwam in de vaart op de lijnen Vlissingen-Breskens en Vlissingen-Terneuzen.
Indeling en het elektrische licht dat nooit kwam
Het bestek beschrijft een schip met zes waterdichte schotten. Voorin lagen het volkslogies en de tweedeklaskajuit met zitbanken en tafels. De eerste kajuit achterin was afgetimmerd met verschillende houtsoorten en kreeg canapés met brede zittingen, mahoniehouten tafels, een vloerkleed, ’twee elegante hanglampen’ en een dames-wc met wastafel. Op het dek stond een teakhouten hut die tegelijk entree van de grote kajuit en rooksalon was. In de raderkasten zaten hutten voor kapitein, conducteur, machinist en stuurman, plus kombuis, lampenkamer en postkamer. Daarboven lag een houten brugdek van 16 meter lengte met stoomstuurtoestel, kompas en telegraaf naar de machinekamer. De triple compound machine van 450 ipk dreef patentraderen naar het model-Stroudley aan.
Kranten schreven destijds dat de Walcheren was uitgerust met ‘alle nieuwe uitvindingen’, zoals elektrisch licht, stoomstuurtoestel en stoomverwarming. Dat eerste verdient een kanttekening, want het bestek schreef weliswaar een dynamo voor die het hele schip met gloeilampen moest verlichten, plus een mastlamp van 600 kaars voor het laden en lossen, maar de werf leverde de installatie niet en kreeg daarvoor de genoemde korting. Volgens Hartman heeft de Walcheren ook daarna nooit elektrisch licht gekregen.
Van hetzelfde type zijn de PSD-veerboten Zeeuwsch-Vlaanderen (1891: De Schelde bouwnummer 76) en de Zuid-Beveland (1899). Ook de Zeeuwsche Spoorboot No.2 (1892: De Schelde bouwnummer 77) van de Zeeuwsche Spoorboot Maatschappij is een zusterschip van de Walcheren. Dat schip kwam in 1912 kort in de vaart voor de PSD toen de Oosterschelde-dienst werd overgenomen, maar de nieuwe schepen nog niet gereed waren.

Lofwerk
De drie PSD-zusterschepen Walcheren (1887), Zeeuwsch-Vlaanderen (1891) en Zuid-Beveland (1899) waren allen voorzien van ‘lofwerk’: de versieringen op de boeg. Hieronder een vergelijking van de verschillende patronen, waarschijnlijk afgeleid van de wapens van de naamgevende streken.

Duur in onderhoud (1897-1909)
Een nadeel van het schip bleek het dure onderhoud. Al in 1897 schreven Gedeputeerde Staten dat de Walcheren en de Zeeuwsch-Vlaanderen (1891) ‘wegens meer of minder belangrijke herstellingen afwisselend voor korter of langer tijd buiten dienst moesten gesteld worden’. Deskundigen wezen de geforceerde trek van de stoomketels en de ongelukkige constructie van de raderen als hoofdoorzaak aan. Hartman oppert zelf nog een derde verklaring: de schepen werden overvraagd, omdat de derde boot van de vloot, de Zeelandia, te langzaam liep en daarom weinig werd gebruikt.
De cijfers waren onverbiddelijk. Tussen 1887 en 1905 kostte de Walcheren 48.000 gulden aan gewoon en 89.500 gulden aan buitengewoon onderhoud, samen 137.500 gulden en daarmee ruim meer dan de bouw zelf. ‘Reeds op twintigjarigen leeftijd werd zij veroordeeld’, vat Hartman het einde samen: op 18 oktober 1907 besloten de Staten tot verkoop. In mei 1909 kocht P. Lobbestal-Van den Bosch uit Gent de boot voor 35.000 Belgische frank (16.747,50 gulden), ongeveer het dubbele van wat slopers ervoor boden.
Belgische rondvaartboot (1909-1916)
De Belgische ondernemer zag brood in de opkomende vreemdelingenstroom naar Walcheren. Hij voorzag het schip van banken aan dek en een flink buffet en zette het onder de oorspronkelijke naam in voor pleziertochten. Zo keerde de veerboot geregeld terug naar Zeeland: menige zomerdonderdag voer de Walcheren van een van de Belgische badplaatsen naar Middelburg. Later werd het schip ‘Marguerite I’ gedoopt.
Frans marineschip Grillon J (1916-1919)
De Eerste Wereldoorlog brak in 1914 uit en in België was er geen markt meer voor pleziertochtjes. De Belgische wateren waren veranderd in een mijnenzee en de Vlaamse velden vormden het front.
In 1916 verkocht Lobbestal-Van den Bosch de Marguerite I aan de Franse marine. Daar werd de voormalige Walcheren omgedoopt tot Grillon J en gestationeerd in de marinehaven van Calais. De Grillon J doorstond de oorlog en raakte daarna overbodig.
Op 21 juli 1919 werd het schip verkocht in of naar Cherbourg. Hoe het daarna verderging, is onbekend.
