
Op deze pagina over de motorboot Zuidvliet:
- Het eerste motorschip van de PSD (1914): Gebouwd bij D. Boot in Alphen aan den Rijn, met twee veerschippers als eigenaar
- Naar Veere-Kamperland (1930): Machinist ‘Meindert-van-het-bootje’ en de oorlogsjaren
- IJswinters (1947-1956): De reddingboot Maria Cornelia Blankenheim schiet keer op keer te hulp
- De laatste oversteek (1961): De Veersegatdam maakt het veer Veere-Kamperland overbodig
- Werkschip bij Noordhoek (1962-1997): Duikersvaartuig en sleepboot, met dank aan de Deltawerken
- Museumschip in Zierikzee (1998-nu): Restauraties, een redding in Harlingen en rondvaarten in Breskens
- Foto’s: De fotopagina met alle foto’s van de Zuidvliet
Het eerste motorschip van de PSD (1914)
Het provinciale veerbedrijf huurde in 1913 het veerrecht van het veer Kortgene-Wolphaartsdijk van de ambachtsheerlijkheid. Voor deze oversteek van de Zandkreek kwam in 1914 een nieuw veerbootje in de vaart: de Zuidvliet, gebouwd door de werf van D. Boot in Alphen aan den Rijn. Het scheepsregister omschreef het schip later als een stalen motorveerboot met één dek, één mast, een salonroef en een motorkamer.
Met 20,13 meter lengte was het bootje bescheiden van formaat, maar voor de Provinciale Stoombootdiensten betekende het schip een mijlpaal: de Zuidvliet was het allereerste motorschip in een vloot die verder volledig op stoom voer. In de motorkamer stond een tweecilinder viertakt Deutz-motor van 30 pk. Het schip bood plaats aan 75 passagiers. Voor het groeiende autoverkeer schoot de veerboot tekort, want op het dek pasten amper auto’s.
Opvallend genoeg stond de Zuidvliet lange tijd niet op naam van de Provincie. De dagelijkse dienst was in handen van veerschippers en bij de teboekstelling van het schip eind 1928 stonden Izaak van der Voorde uit Wolphaartsdijk en Cornelis Schippers uit Kortgene ieder voor de helft als eigenaar geregistreerd. Scheepsmeter Pieter van Wouwe beitelde op 18 december 1928 het brandmerk ’34 B Midd 1928′ in de boeiing van het achterschip, vlak bij het roer. Zijn rekening bedroeg 12,90 gulden, reis- en verblijfkosten inbegrepen. Kort daarna, begin 1929, nam de Provincie het bootje alsnog zelf over.
Verdrongen door de Zandkreek (1926)
Voor de groeiende stroom voertuigen kwam in 1926 een grotere veerboot in de vaart op Kortgene-Wolphaartsdijk: de Zandkreek (1926), een zijlader met ‘een rijdek waarop heel Noord-Beveland dansen kon’, zoals destijds in de krant te lezen viel. Naast dat moderne schip viel het veerbootje uit 1914 volledig in het niet.
Naar het veer Veere-Kamperland (1930)
De Provincie had inmiddels ook de zorg voor het veer Veere-Kamperland, de verbinding tussen Walcheren en het eiland Noord-Beveland over het Veerse Gat. Daar voer sinds 1925 het motorbootje Juliana, dat de oude zeilschouw had vervangen maar aanmerkelijk kleiner was dan de Zuidvliet. In 1930 kreeg de Zuidvliet daarom een nieuwe thuishaven: Veere. Bij de overstap hoorde een sterkere krachtbron, een tweecilinder Deutz-dieselmotor van 77 pk (motornummer 176076/077), die het schip tot het einde van de veerloopbaan zou voortstuwen. De Juliana ging later, bij de watersnoodramp van 1953, verloren.
Op 8 september 1930 stapte een nieuwe machinist aan boord: Meindert Minneboo uit Veere. Hij had vijf jaar bij het loodswezen achter de rug plus twee jaar op het lichtschip Noord-Hinder, terwijl zijn broer kapitein van de Veerse reddingboot was. Minneboo zou eenendertig jaar op de Zuidvliet blijven en uitgroeien tot een begrip: heel Noord-Beveland kende hem als ‘Meindert-van-het-bootje’. De veerdienst zelf was in die jaren overigens nog een particuliere onderneming van de firma C.J. Schippers. Pas in 1943 nam de PSD de dienst volledig over.
Oorlogsjaren: invaller op de Oosterschelde (1940-1945)
In de meidagen van 1940 verdwenen vrijwel alle PSD-boten van het toneel, afgebrand of gezonken in de haven van Breskens. De kleine Zuidvliet bleef buiten schot en onderhield enige tijd de dienst tussen Zierikzee en het Katseveer. Minneboo was in die weken alles tegelijk: dekknecht, machinist en kapitein. Volgens de PZC heeft de Zuidvliet in de oorlogsjaren geen dag stilgelegen. Helemaal ongeschonden kwam het schip toch niet door de bezetting: in het najaar van 1944 vorderde de Duitse bezetter het bootje. Een jaar later werd de Zuidvliet licht beschadigd teruggevonden in Breskens.
IJswinters op het Veerse Gat (1947-1954)
Strenge winters waren de zwaarste beproeving voor het veer over het Veerse Gat. In februari 1947 lagen alle veerdiensten op de Oosterschelde en de Zandkreek stil door het kruiende ijs en dreigde Noord-Beveland volledig geïsoleerd te raken. Alleen de Zuidvliet bleef varen, met dank aan de reddingboot Maria Cornelia Blankenheim uit Veere: die hield het ijs open bij de aanlegplaats en voer voor de veerboot uit naar open water. Zo behield het eiland de postbezorging en konden de scholieren naar de overkant blijven reizen.
Op donderdagavond 4 februari 1954 ging het bijna mis. Een enorme ijsschots belaagde de veerboot op weg van Kamperland naar Veere en sloeg het schip uit de koers, waarna de Zuidvliet afdreef door het Veerse Gat, tot onder Vrouwenpolder. Kapitein C.J. Schippers schetste de omvang van de schots: ‘Er kon wel honderd man op schaatsen.’ De veerboot bereikte gelukkig open water en keerde terug naar Kamperland. Om acht uur die avond werd de terugtocht alsnog aanvaard en rond tien uur meerde het schip af in Veere. De enige passagier had het ijsavontuur toen wel gezien en was in Kamperland aan wal gebleven.
Vast in het ijs: de redding van 24 februari 1956
Twee jaar later volgde een nog zwaardere ijswinter. Doordat het kruiende ijs in de Zandkreek het veer Kortgene-Wolphaartsdijk wekenlang onmogelijk maakte, vormde de Zuidvliet in februari 1956 de enige verbinding tussen Noord-Beveland en de rest van Zeeland. Het bootje maakte twaalf reizen per dag (vijf keer zoveel als normaal) en zat telkens vol passagiers, fietsen, vracht en levensmiddelen.
Op vrijdag 24 februari 1956 liep de Zuidvliet vast. Kort na het vertrek uit Kamperland (omstreeks half drie) raakte de Zuidvliet met zo’n twintig passagiers aan boord beklemd in het ijs, dat zich met de eb had samengepakt. De reddingboot Maria Cornelia Blankenheim voer uit onder leiding van schipper J.A. Minneboo, de broer van de machinist. Wat volgde was een urenlang gevecht: tot twee keer toe dreven veerboot en reddingboot met het kruiende ijs af richting zee. Aan boord van de Zuidvliet raakte bovendien een krukaslager oververhit, waardoor het schip nauwelijks nog kracht kon zetten. Ook de sleeptros brak tot drie keer toe.
Via Scheveningen-Radio hield de bemanning contact met de PSD. Directeur mr. J.L. Nieuwenhuis en inspecteur G.J. Vierhout reisden naar Veere, terwijl commissaris der koningin jhr. mr. A.F.C. de Casembroot en gedeputeerde M.J. van Poelje het reddingswerk vanuit de Campveerse Toren volgden. Om zes uur lagen beide schepen weer aan de steiger van Kamperland, waar één passagier, een dame, van boord ging: zij had kleine kinderen thuis en durfde het risico niet langer aan. De overigen zetten door en rond acht uur meerden de Zuidvliet en reddingboot Blankenheim af bij de Campveerse Toren.
De Maria Cornelia Blankenheim (165 pk sterk, tegenover 70 pk voor de veerboot) nam die avond voor één keer de rol van de Zuidvliet over en bracht wachtende passagiers met dringende redenen alsnog naar Kamperland, onder wie burgemeester A.A. Schuit van Kortgene. Ook gedeputeerde Van Poelje voer mee. Achteraf bekende hij: ‘Ik heb hem toch wel geknepen.’ Om kwart over negen was de reddingboot terug in Veere en zat het werk erop.
Aan de grond en roerpech (1959-1961)
Ouderdom begon intussen mee te spelen. In januari 1959 moest de Zuidvliet ruim een week naar de werkplaats van de PSD in Vlissingen voor een motorreparatie. Het vissersvaartuig VE 24 van de Veerse visser J.L.F. Minneboo nam de dienst waar. Voor het dekpersoneel betekende dat sjouwen: alle fietsen, brommers en motoren moesten met de hand over de reling worden getild.
Op donderdagavond 29 oktober 1959 liep de veerboot op de laatste tocht van die dag net buiten de haven van Kamperland aan de grond, gedreven door de sterke wind en de stroming. De reddingboot sleepte het schip vlot, waarna de Zuidvliet op eigen kracht naar Veere voer.
Op zondagavond 10 september 1961 verliep de laatste afvaart van de dag opnieuw dramatisch. Om vijf minuten voor acht vertrok de Zuidvliet uit Veere en bij de aanlegsteiger van Kamperland liep het schip om onbekende reden vast. Het Belgische motorjacht Sid van de heer De Kalle trok de veerboot los, maar even later zat de Zuidvliet opnieuw vast en bleek het roer onklaar. Het schip ging voor anker om de ochtend af te wachten. De Sid zette de passagiers, na een wel erg lang uitgevallen reisje, om ongeveer half twaalf in Kamperland aan wal. Stuurman W.A. Roth bleef als enige de hele nacht aan boord. De volgende morgen sleepte het betonningsvaartuig van B. van Beveren de veerboot naar Veere, waar de schade nog dezelfde ochtend werd hersteld.
De laatste oversteek (31 oktober 1961)
Het einde van de inzet van de Zuidvliet kwam niet door ijs of ouderdom, maar door de Deltawerken. Op 27 oktober 1961 werd de Veersegatdam opengesteld voor het verkeer en daarmee verloor het veer Veere-Kamperland zijn bestaansrecht. Op dinsdagavond 31 oktober 1961 maakte de Zuidvliet de allerlaatste oversteek. Om tien minuten voor half acht blies stuurman E. van Zweden drie ‘saluutstoten’ op de hoorn, gedeputeerde M.J. van Poelje luidde de scheepsbel en voor de laatste keer voer het bootje het haventje van Kamperland uit. Op de wal zwaaide een groep schoolkinderen, trouwe klanten van de overtocht, het schip met zaklantaarns uit. Met een schijnwerper zocht de Zuidvliet van boei tot boei de weg terug. Toen in Veere de laatste twee passagiers aan wal waren gestapt, voer de veerboot eenzaam de donkere haven in en zette Minneboo de motor voor het laatst af.
Tijdens de afscheidsbijeenkomst in de Campveerse Toren haalde commissaris De Casembroot de geschiedenis op van het veer, dat al vóór 1530 bestond: ”t Gaat me zeer aan het hart om deze oude traditie op te heffen, maar het kost te veel.’ Burgemeester jhr. I.F. den Beer Poortugael van Veere toonde trots het laatste kaartje, nummer 588, waarvoor hij 40 cent had betaald. Die laatste kaartjes waren gewild, want de commissaris had eerder die avond geroepen: ‘Verkoop er maar zoveel je kunt’, hoewel de overtocht gratis was. Tot slot kreeg de voltallige bemanning een aandenken: de matrozen M.L. Gaakeer en B. Klos, olieman C.P. Danielse, stuurman-aflosser H.J. de Baare, stuurman Van Zweden en machinist Minneboo.
Voor Minneboo viel het doek na eenendertig jaar, vijf jaar voor zijn pensioen. De machinist verhuisde van Veere naar Sint-Laurens en diende zijn laatste jaren bij de PSD in Vlissingen. In de PZC blikte hij terug: ‘Zo’n bootje wordt een stuk van je leven. Je hebt je hart er aan verpand, aan het bootje en aan de motor. Ik vind het werkelijk heel jammer. Graag had ik m’n laatste jaren uitgediend.’
‘Zo’n bootje wordt een stuk van je leven’
Werkschip bij duikbedrijf Noordhoek (1962-1997)
Pensioen zat er voor de Zuidvliet zelf nog lang niet in. Op 9 augustus 1962 verkocht de Provincie het schip voor 7.500 gulden aan schipper Cornelis Pieter Noordhoek uit Wilhelminadorp, die er met een banklening van 15.000 gulden meteen flink in investeerde. Noordhoek bouwde de veerboot om tot duikersvaartuig en sleepboot: de houten stuurhut maakte plaats voor een grotere stalen variant en op het achterdek kwam een decompressietank te staan. Later kwam er een veel zwaardere motor in, volgens het scheepsregister vanaf 1977 een Kromhout-diesel van 285 pk. Juist de Deltawerken, die het veer overbodig hadden gemaakt, bezorgden het schip vervolgens jarenlang werk.
Uit het bootje groeide een compleet bedrijf. Na het overlijden van Noordhoek kwam de Zuidvliet in 1972 op naam van zijn weduwe en daarna van Scheepvaartbedrijf Noordhoek, het latere Noordhoek Diving uit Zierikzee. Directeur L. Noordhoek zei het in 1997 zo in de PZC: ‘Mijn vader is er zo’n beetje het duikbedrijf op begonnen en ik ben er nog schipper op geweest.’ In dat jaar was het schip overbodig geworden in de gespecialiseerde vloot van het duikbedrijf. De Zuidvliet kreeg in het haventje van Bommenede een laatste onderhoudsbeurt.
Museumschip in Zierikzee (1998-nu)
Sloop lag op de loer, totdat voorzitter P.J. Huijbrecht van de museumhaven in Zierikzee bij Noordhoek op de stoep stond. Huijbrecht: ‘We wilden per se een veerboot in de haven en we zaten al jaren naar de Zuidvliet uit te kijken.’ Op vrijdag 27 februari 1998 voer de Zuidvliet van Bruinisse naar Zierikzee, waar het schip officieel in bruikleen werd gegeven aan de stichting. Noordhoek deed er de oude luchthoorn bij cadeau en zegde bovendien vijf jaar lang 10.000 gulden per jaar toe voor het onderhoud.
De restauratie groeide uit tot een meerjarenproject. In 2004 voer het schip op eigen kracht naar Dordrecht om de romp te laten stralen. Het zware werk werd uitbesteed aan scheepswerf Van Duivendijk in Bruinisse, terwijl een vaste ploeg van een man of vijf vrijwilligers minstens tweeduizend uur in het schip stak. Patrijspoorten werden opgeknapt, de leidingen vernieuwd en als pronkstuk verrees een teakhouten stuurhuis, naar het oude voorbeeld nieuw gebouwd. In de zomer van 2006 lag de Zuidvliet weer te blinken in de Museumhaven Zeeland. Alleen voor de motor deed de stichting een concessie: de moderne diesel uit de Noordhoek-jaren mocht blijven.




Zorgeloos was het museumbestaan niet altijd. In augustus 2013 voer het schip nog rond in Vlissingen, maar datzelfde jaar bleek het onderwaterschip er slecht aan toe. De reparatie zou 30.000 euro kosten en dat geld had de museumhaven niet. In het voorjaar van 2015 dreigde verkoop, maar in september van dat jaar kwam de redding: scheepswerf SRF in Harlingen nam de klipper Mijn Genoegen van de stichting over en knapte in ruil het onderwaterschip van het veerbootje op.
In het voorjaar van 2016 lag het bootje op de werf in Harlingen voor nieuw plaatwerk aan het onderwaterschip. Op woensdag 22 juni 2016 keerde de Zuidvliet terug en kreeg het schip een feestelijke ontvangst in Zierikzee.
In april 2017 wachtte een bijzonder uitstapje: tijdens het PSD-weekend in Breskens maakte de gerestaureerde veerboot op 15, 16 en 17 april rondvaarten vanuit de Vissershaven naar de veerhaven van Breskens. Voor het eerst sinds 2004 lag daarmee weer een voormalige PSD-boot in Breskens (veerhaven) en voor een PSD-veerboot buiten de veerhaven van Breskens moet je nog veel langer terug de tijd in.
De Zuidvliet is een van de twee PSD-schepen die nog in Zeeland te vinden zijn. De andere is de zijlader Koningin Emma (1933), die in Vlissingen ligt.
Foto’s PSD-veerboot Zuidvliet
Bekijk alle foto’s van de PSD-veerboot Zuidvliet op de fotopagina.









