Op deze pagina over de Nederlandse veerboten op Malta:
- De veerdienst tussen Malta en Gozo (jaren 60): Het eilandenrijk, de familie Zammit, de Noorse boot Jylland en de zoektocht naar een groter schip
- Twee Zeeuwse afdankers (1969-1974): De sleepreis van de Prins Hendrik, de doop tot Calypso Land en de barre tocht van de Moerdijkpont Dordrecht naar Malta
- Zomers op de Comino Channel (1969-1978): Zeven retourvaarten per dag, een lastige winterstorm en een nieuwe aanlegplaats bij Cirkewwa
- Staatsrederij Gozo Channel (1978-1980): Het einde van het familiecontract, de Melita Land als aandeel en bouwmaterialen naar Comino
- Een derde Zeeuw: de Prins Bernhard (1984-1988): De prijsopgave van de Provincie Zeeland, de Cittadella op de route en de Prinses Irene die er nooit voer
- De nadagen van de veteranen (1981-1994): Een kraanponton bij werf Cassar, de Melita Land te koop voor 80.000 dollar en Nederlands op de brug van de Cittadella
- TESO-boten en het einde (1992-2002): De werkloze Marsdiep en Texelstroom, de wisseling van de wacht in 1995 en het sloopstrand van Aliaga
De veerdienst tussen Malta en Gozo
De Republiek Malta is een dwergstaat in de Middellandse Zee met twee bewoonde hoofdeilanden: Malta en Gozo. De zeestraat ertussen is heet Gozo Channel. Wie van het ene naar het andere eiland wil, moet met de veerboot over de Gozo Channel. Op Malta is daarom altijd vraag geweest naar veerboten.
De veerdienst was in de jaren 60 in handen van reder Euch Zammit van het familiebedrijf E. Zammit & Sons. Voor de dienst tussen Marfa op Malta en Mgarr op Gozo kocht Zammit eind 1967 de Noorse veerboot Jylland, voor 100.000 Maltese pond. Al in de eerste zomer bleek de capaciteit van 32 auto’s te krap. De zoektocht naar een groter schip was lastig: de kades aan beide kanten waren kort en de havens ondiep. Bovendien moest het nieuwe schip ’s winters bestand zijn tegen het ruwe water van de zeestraat.
Het antwoord lag in Nederland, waar bruggen, dammen en nieuwe dubbeldekkers de ene na de andere veerboot overbodig maakten. Auteur Graeme Somner tekende het verhaal op in zijn boekje Ferry Malta (1982) en ook in De Blauwe Wimpel is het nodige te vinden over de veerdiensten op Malta.




Twee Zeeuwse afdankers naar Malta (1969-1974)
De eerste aankoop werd de Prins Hendrik uit 1932. Deze koplader raakte overbodig toen in 1968 de eerste dubbeldekker Prinses Christina in dienst kwam. Eind december 1968 verkocht de Provincie Zeeland het schip, met E. Zammit & Sons als uiteindelijke koper.
Op 28 maart 1969 vertrok de veerboot uit Vlissingen, op sleeptouw achter de sleepboot Fairplay XI. De sleep passeerde Gibraltar op 5 april en meerde op 10 april 1969 af in de Grand Harbour van Valletta. Al na een paar dagen nam het schip de zomerdienst over van de Jylland, gewoon nog onder de oude naam Prins Hendrik. Pas in 1970 doopte Zammit de veerboot om tot Calypso Land. Het rijdek bood plaats aan 35 auto’s en er mochten 1.300 passagiers mee.
De Zeeuwse veerboot beviel goed en voor de groeiende zomerdrukte zocht Zammit begin jaren 70 opnieuw een schip in Nederland. Dat werd de Dordrecht uit 1933, de voormalige Moerdijkpont die na een grote verlenging en verbouwing in 1955-1956 zo’n 80 auto’s en 600 passagiers kon vervoeren. Handels- en bergingsbedrijf A.C. Slooten uit Wormer nam het afgedankte schip in januari 1972 over. In januari 1973 volgde de doorverkoop aan Zammit. Na een droogdokbeurt in Nederland kreeg de veerboot begin 1974 de naam Melita Land.
Anders dan de Prins Hendrik vertrok de Melita Land in februari 1974 op eigen kracht van Nederland naar Malta, met kapitein Michael Zammit op de brug. Voor een schip dat voor het binnenwater van Moerdijk was gebouwd werd de winterse zeereis een zware beproeving. In de Golf van Biskaje viel bij storm de voortstuwing uit en dreef de veerboot stuurloos rond. De sleepboot Engeland van Willem Muller uit Terneuzen was in de buurt en bracht het schip op 15 februari binnen in Bilbao. Reserveonderdelen werden vanuit Engeland naar Gibraltar gevlogen, waar de sleep op 25 februari aankwam. Na reparatie voer de Melita Land op eigen kracht verder en bereikte op 5 maart 1974 de Grand Harbour. Op 16 juni 1974 begon de zomerdienst en werd de voormalige Dordrecht herenigd met de voormalige Prins Hendrik.
Zomers op de Comino Channel (1969-1978)
Het vaarpatroon volgde jarenlang hetzelfde ritme. In de zomer maakten de Zeeuwse veerboten tot zeven retourvaarten per dag tussen Marfa en Mgarr, in de stille wintermaanden lag een deel van de vloot opgelegd. De Calypso Land voldeed bij ruw winterweer minder en de kleinere Jylland nam dan de dienst waar.
Met een lengte van ruim 70 meter was de Melita Land vanaf 1974 het grootste schip dat tot dan toe op de route voer. De Maltese overheid beloofde er zelfs een nieuwe aanlegplaats voor: Cirkewwa, ruim anderhalve kilometer ten westen van Marfa, kwam eind 1976 in gebruik. Voor de Calypso Land zat de veerdienst er in 1978 op, zo leek het.
Staatsrederij Gozo Channel (1978-1980)
Toen het veerdienstcontract in 1978 afliep, schreef Zammit niet in op de veel strengere nieuwe voorwaarden. De Maltese overheid charterde daarop eind 1978 de Melita Land om de dienst gaande te houden en richtte in januari 1979 een eigen rederij op: Gozo Channel Company, met als eerste eigen schip de Deense veerboot Ghawdex (Maltees voor Gozo). In februari 1980 stapte Zammit alsnog in als aandeelhouder, voor 29 procent. De inbreng van de Melita Land was onderdeel van dat belang. De overheid hield 51 procent, de Maltese reisbranche de resterende 20. In juni 1980 hervatte de veerboot de dienst, nu tussen Cirkewwa en Mgarr.
De Calypso Land voer ondertussen nog wel, maar niet meer als veerboot. Van 1979 tot 1981 bracht het schip bouwmaterialen naar het eilandje Comino, waar de Maltese overheid een varkensfokkerij liet bouwen. Daarna werd de oude koplader definitief aan de kant gelegd.
Een derde Zeeuw: de Prins Bernhard (1984-1988)
In 1984 toonde Euch Zammit interesse in maar liefst drie PSD-veerboten: de Prins Bernhard, de Koningin Juliana en de Prinses Irene. De eerste twee kon de PSD in 1985 nog niet missen, maar de verkoop naderde. De Provincie Zeeland maakte alvast een prijsopgave: de Prinses Irene zou ruim 4.400.000 gulden moeten kosten, de Koningin Juliana anderhalf miljoen en de Prins Bernhard twee miljoen gulden.
De Prins Bernhard ging uiteindelijk voor veel minder van de hand. Exacte bedragen ontbreken, maar het bedrag lag eerder onder de 200.000 gulden dan bij de twee miljoen. De verkoop liep in september 1986 via Verkoopmaatschappij Intershitra uit Rotterdam. Begin 1987 kocht Gozo Channel het schip voor de groeiende vrachtstroom naar Gozo en doopte het Cittadella, naar de citadel van Gozo. Op 5 maart 1987 vertrok de veerboot uit Vlissingen en op 26 maart meerde het schip af in de Grand Harbour. Vanaf 7 mei 1987 voer de Cittadella tussen Cirkewwa en Mgarr.
In Zeeland stond ondertussen de Prinses Irene nog altijd te koop. Op 21 maart 1988 verkocht de Provincie deze veerboot voor 310.000 gulden aan Michel Zammit, familie van Euch en eigenaar van rederij Mira Ferries. Ook hier ging de PSD dus akkoord met een verkoopbedrag zo’n factor tien onder de eerder geschatte waarde. De Prinses Irene werd snel doorverkocht en vertrok via Malta naar Saoedi-Arabië. Het schip was korte tijd eigendom van de familie Zammit, maar heeft op Malta nooit als veerboot gevaren, bevestigt Somner in het supplement bij zijn boekje.
De nadagen van de veteranen (1981-1994)
In de zomer van 1981 lagen de twee Zeeuwse veteranen nog gezamenlijk in Mgarr Harbour. Wimpellezer C. v.d. Weele uit Heusden legde het tafereel vast en L.L. v. Münching publiceerde ze in De Blauwe Wimpel een jaar later. De Calypso Land voer toen al een halve eeuw met dezelfde machine: de Sulzer uit 1931 die het schip na de oorlog uit de Prinses Juliana had gekregen. Aan boord van de Melita Land herinnerde ook van alles aan Nederland: de werfplaat van machinefabriek Penn & Bauduin uit Dordrecht hing er nog en een bord meldde dat het vervoer plaatsvond volgens de ‘ter griffie der Arr. Rechtbank te Middelburg gedeponeerde vervoersvoorwaarden der P.S.D. in Zeeland’.
Voor de oudste Zeeuw kwam het einde het eerst in zicht. In mei 1984 belandde de Calypso Land bij de sloopwerf van Cassar in Marsa, het havenindustriegebied achter Valletta. In 1985 begon daar de sloop. Toch verdween het schip niet helemaal. De schrijver van het artikel in De Blauwe Wimpel (1994) trof de romp in de zomer van 1993 aan als werkponton van de Cassar Group. “In 1990/1991 hebben we de Calypsoland ontdaan van haar opbouw en hebben we er een kraan opgezet. Zodoende kunnen we haar als kraanponton voor allerlei activiteiten gebruiken”, aldus managing director Tony Cassar.
De Melita Land hield het als veerboot vol tot april 1991, toen het schip bij een keuring werd afgekeurd. De motoren waren al jaren een bron van zorg. De veerboot werd opgelegd in Marsa Creek en diende in de zomer van 1991 nog twee maanden als accommodatieschip in de vissershaven van Marsaxlokk. In 1992 nam de Bezzina Group of Companies het schip over. Manager Ch. Jones vertelde de journalist van De Blauwe Wimpel in 1993 dat de veerboot te koop stond voor 80.000 Amerikaanse dollar. In het maritieme blad klonk de verzuchting dat die vraagprijs voor het inmiddels 61 jaar oude schip te hoog was om de voormalige Dordrecht terug naar Nederland te halen en bijvoorbeeld in Vlissingen als museumschip af te meren.
De Cittadella was begin jaren 90 de laatste Zeeuwse veerboot die nog gewoon dienst deed. In dezelfde Blauwe Wimpel lezen we dat het een goed verzorgd schip was en dat de buitenkant de net ingevoerde geel-blauwe kleuren van Gozo Channel had. Van binnen en van buiten was het schip nauwelijks verbouwd. In beide stuurhutten hingen alle instructies nog in het Nederlands en ook de vertrouwde Nederlandse navigatiemiddelen deden gewoon dienst. Kapitein L. Linwood toonde zich vol lof over zijn schip en roemde vooral de motoren, die feilloos functioneerden. De overtocht duurde zo’n twintig minuten net zoals in Zeeland.
TESO-boten en het einde (1992-2002)
Nadat de PSD geen geschikte veerboten meer in de aanbieding had, wees de eigen vloot de weg naar een opvolger. In de machinekamer van de Melita Land lag een tijdschrift met daarin een foto uit de machinekamer van de Texelse veerboot Texelstroom. Zammit herkende op die foto dezelfde Lister Blackstone-motoren die de voormalige Dordrecht in 1956 had gekregen. Zo viel het oog van de familie Zammit op twee enkeldekkers van rederij TESO: de Marsdiep uit 1964 en de Texelstroom uit 1966.
Dochterbedrijf Karistu Ferries kocht de twee Texelse schepen in juni 1992 voor samen 2,4 miljoen Maltese pond. Varen deden ze voorlopig niet. Gozo Channel, inmiddels vrijwel volledig staatseigendom, duldde geen concurrentie op de route en Karistu kreeg geen toestemming van de Maltese autoriteiten om te gaan varen. Jarenlang lagen beide schepen werkloos in de haven van Valletta, nog altijd met hun Nederlandse namen op de boeg.
Begin 1995 liep het zeewaardigheidscertificaat van de Cittadella af en werd de bijna 45 jaar oude veerboot opgelegd. Gozo Channel kocht de twee TESO-boten alsnog van Karistu en in maart 1995 namen ze de dienst over: de Marsdiep ging verder als Mgarr, de Texelstroom, toepasselijk, als Cittadella. De Gozo Dive Shops Association wilde de oude Cittadella daarna afzinken in 35 meter water bij Xatt l-Ahmar, onder Fort Chambray aan de zuidkust van Gozo, als kunstmatig rif voor duikers. Dat plan ging niet door.
Het einde kwam voor alle PSD-veteranen op hetzelfde sloopstrand. De Melita Land, in 1994 omgedoopt tot Bezz 20, ging in 1996 naar het Turkse Aliaga. De oude Cittadella volgde in 1997, onder de ingekorte naam Citta. De Texelse schepen hielden het vol tot juni 2002 en eindigden daarna eveneens op het strand van Aliaga. Gozo Channel liet vervolgens nieuwe veerboten bouwen, speciaal ontworpen voor de dienst op Gozo. Daarmee kwam een einde aan ruim dertig jaar Nederlandse veerbotenexport naar Malta.











