De Ramp (2/2)

Bij het eerste daglicht van 1 februari kon men de ravage pas goed overzien. De schade aan veerhavens, kades en aanleginrichtingen was groot. Toch was het van groot belang dat de veerdiensten weer in de vaart kwamen. Dat lukte vrij snel tussen Vlissingen-Breskens en Terneuzen-Hoedekenskerke. Zo kon op 2 februari ook prinses Wilhelmina met de veerboot Prins Willem I de Westerschelde oversteken op haar reis door de provincie om steun te betuigen aan de slachtoffers. Doordat Kruiningen zwaar getroffen was kon de veerdienst naar Perkpolder voorlopig niet worden hervat. Dat betekende extra drukte op Terneuzen-Hoedekenskerke.

Schouwen-Duiveland stond voor het grootste gedeelte onder water. Twee zijladers van de PSD – de Prins Willem I werd van de Westerscheldedienst naar Zierikzee gedirigeerd – en de Oosterschelde konden helpen bij het evacueren van mensen naar droge gebieden. Zo werden de veerboten bijvoorbeeld ingezet tussen Zierikzee en Dordrecht. Omdat de haven van Zierikzee niet meer toegankelijk was werden de evacuees met sloepen van de Marine naar de rede gebracht waar de veerboten lagen te wachten.
Op 10 februari werd de veerdienst Katscheveer-Zierikzee hervat. Men moest kunnen aantonen nodig te zijn op Schouwen-Duiveland om mee te mogen varen. De veerboot kon nog steeds niet de haven van Zierikzee bereiken en op de rede moest men dus overstappen. Vanaf dezelfde dag werd in overleg met de RTM ook een tijdelijke veerdienst in het leven geroepen, namelijk Katscheveer-Dordrecht. Deze dienst werd uitgevoerd met de Prins Willem I.

De veerdiensten waren spoedig hersteld en vormden een belangrijke schakel in de weken na de Ramp. Vanaf april werd ook een tijdelijke veerdienst tussen Hoedekenskerke en Perkpolder onderhouden met een gehuurde salonboot. Deze overtocht duurde ongeveer een uur. De veerdienst werd per 1 juni alweer gestaakt omdat er niet veel mensen gebruik van maakten, soms slechts drie per afvaart. Dit lag voornamelijk aan het feit dat er geen auto’s meegenomen konden worden. Daarom werd in juni geprobeerd de Prins Hendrik in te zetten, maar de haven van Hoedekenskerke bleek niet geschikt te zijn om deze koplader te kunnen ontvangen. Tegen het einde van het jaar werd de veerdienst weer in het leven geroepen, nu met een ‘Bazelboot’. Op 1 mei 1954 kon de veerdienst Kruiningen-Perkpolder pas worden hervat.

Na de Watersnoodramp herstelde de PSD zich snel. Het vervoersaanbod groeide gestaag en eind jaren 50 begon de grote vlootuitbreiding.

Lees hier deel 1.

Gerelateerde berichten: