Terneuzen-Hoedekenskerke

De veerdienst Hoedekenskerke-Terneuzen was eind 19e eeuw nog een onderdeel van de veerdienst Vlissingen-Borssele- Terneuzen-Hoedekenskerke. In 1897 heeft Harm Nieveen, ondernemer te Lemmer het plan opgevat een geregelde veerdienst te beginnen tussen Terneuzen en Hoedekenskerke. Naast de veerboot wil hij een tramlijn aanleggen van Hoedekenskerke via Goes naar Katsche Veer. De ondernemer krijgt vergunningen voor het aanleggen van diverse tramlijnen maar over de stoombootdienst werd niets meer vernomen.

Vroege opheffing?

Ook na de eeuwwisseling is de veerdienst een veel besproken onderwerp. Inmiddels heeft Gedeputeerde Staten namelijk een plan opgevat om de dienst op te heffen. Zoals met vele veerdiensten in de geschiedenis van de Provinciale Stoombootdiensten veranderden ook deze plannen uiteindelijk ten gunste van de veerdienst. Het voorstel werd in 1912 verworpen. In plaats van opheffen wordt de veerdienst in 1913 losgekoppeld van de dienst naar Vlissingen. Alleen Terneuzen-Hoedekenskerke-Hansweert blijft nu over.

Nieuwe aanlegsteiger

In 1914 werd de eerste aanlegsteiger uit 1872 in Hoedekenskerke vervangen door een nieuwe die 200 meter zuidelijker gelegen was. Maar inmiddels was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken en ook in het neutrale Nederland werd daar hinder van ondervonden. De veerdienst lag stil tussen 1 augustus 1914 en 11 januari 1915 en van 15 september 1915 tot 4 september 1916. Dit had te maken met een tekort aan steenkolen. Op deze 4e september werd de veerdienst weer geopend met de veerboot Zeeuwsch-Vlaanderen. Deze veerboot werd speciaal gebouwd voor de dienst Terneuzen-Hoedekenskerke-Hansweert.

Hoedekenskerke zou uiteindelijk wel komen te beschikken over een spoorverbinding, maar niet dankzij de ondernemer uit Lemmer. Daarentegen begon de Spoorwegmaatschappij Zuid-Beveland in 1925 met de aanleg van een verbinding met Hoedekenskerke. Op 18 mei 1927 werd deze lijn feestelijk geopend.

Nieuwe veerhaven

Een andere belangrijke verandering vond drie jaar later plaats, op 15 mei 1930 kwam het stuk naar Hansweert te vervallen. Vanaf nu is er pas sprake van de veerdienst Terneuzen-Hoedekenskerke. Ondertussen gaan ook auto’s van de veerdienst gebruik maken. De aanlegsteiger in Hoedekenskerke is daar niet geschikt voor bewijst een klacht van de Bond van Bedrijfsautohouders in 1928. Er wordt gepleit voor een nieuwe steiger. Ook uit andere hoek komen klachten, zoals tuinbouwers. De klachten worden serieus genomen door Ged. Staten en de Minister.

Een inham van de Westerschelde wordt ingericht als veerhaven. Deze inham was de in 1872 geïnundeerde Kapuinenhoek. In het voorjaar van 1930 werd begonnen met de aanleg van deze haven in ‘de Val’, niet te verwarren met de gelijknamige veerhaven te Zierikzee. Dit alles zou ongeveer 150.000 gulden kosten, de aanleginrichting bestaat uit een klein ponton met een grote ijzeren brug.
Begin 1932 was men begonnen met de aanleg van de funderingen voor de aanlegsteiger in de nieuwe haven, te weten 12 meter onder water. Op 25 augustus 1933 werd de brugspanning naar Hoedekenskerke gevaren met twee sleepboten. Deze brug werd gebouwd bij Penn en Bauduin, bekende bruggenbouwers van wier hand o.a. de Moerdijkbruggen waren. De brug was 45×5,50 meter groot.

Wachtlokaal/kantoor

Bij de nieuwe veerhaven met aanlegsteiger hoorde ook een nieuw kantoor, zoals in die tijd gebruikelijk was. Bij de oude steiger was een stenen kantoor (zie foto). Maar uiteindelijk werd besloten af te wachten of men af kon met een eenvoudige wachtkamer met kantoortje. Dat wachtlokaal staat nog steeds aan de haven in Hoedekenskerke. In 1933 werd begonnen met de bouw en in 1934 kwam het gereed.

Begin jaren 30 werd geïnvesteerd in een nieuwe koplader voor de veerdienst Hansweert-Walsoorden, de latere Prins Hendrik. Door de komst van deze veerboot zou een nieuwe boot voor Hoedekenskerke niet nodig zijn, omdat Automobielen van de oostelijke veerdienst gebruik zouden maken. Toch werd er een paar jaar later overgegaan tot de bouw van drie nieuwe zijladings- veerboten, waaronder een voor Terneuzen-Hoedekenskerke.

Koningin Emma

In 1933 werd de Koningin Emma te water gelaten in Vlissingen. Deze nieuwe veerboot was bestemd voor de veerdienst op Terneuzen en zou gedurende de rest van de jaren 30 daar gaan varen. Een proefvaart werd gemaakt op 1 september tussen Hoedekenskerke en Terneuzen, enkele dagen nadat de nieuwe brug van de aanlegsteiger ingevaren was. Op 1 februari 1934 werd de nieuwe veerboot in dienst genomen.

Vanuit Vlissingen voer de nieuwe Emma naar Terneuzen, waar om 16.40u vertrokken werd naar Hoedekenskerke. Er was sprake van een Noordoostenstorm, windkracht 9 ten tijde van de overtocht. De veerboot had daar nauwelijks last van. ‘We zijn er van overtuigd dat door deze betere verbinding Zeeuwsch-Vlaanderen weer een beetje dichter bij overig Nederland is gekomen’ viel te lezen in de krant. Het enige probleem was dat de ponton in Terneuzen nog te kort was, waarbij eerst omgezwaaid moest worden alvorens aan te leggen. Bij onderhoud werd de nieuwe motorveerboot tijdelijk vervangen door de oude stoomboten.

Zo ook in oktober 1939. Op de avond van zaterdag de 14e liep de veerboot Luctor et Emergo vast op de Westhavendam in Terneuzen. De veerboot, afkomstig uit Hoedekenskerke kwam bijna in aanvaring met een vrachtschip en om dit te voorkomen kon de kapitein alleen nog maar de veerboot op de dam zetten. De boot kwam later die avond weer op eigen kracht los en de dienst werd tijdelijk overgenomen door de Schouwen. Niet veel later, in de winter van 1940 kreeg de veerdienst te maken met veel ijs in de havens waardoor soms weken niet gevaren kon worden. Maar ook dit probleem werd niet lang daarna opgelost door de dooi.

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte de veerdienst ontwricht. In Terneuzen was de brug naar de ponton tot zinken gebracht tijdens de meidagen. De veerhaven van Hoedekenskerke was zeer zwaar beschadigd. Eind 1946 werd een begin gemaakt met de herstelwerkzaamheden. Op 14 oktober werd met een drijvend bok begonnen met het bergen van een deel van de brug. Een ander deel lag nog onder twee meter zand op de bodem van de haven. Hier bleek de enorme ravage uit die de oorlog achter zich had gelaten. Men wilde haast maken om de veerdiensten zo goed mogelijk te herstellen. Toch zou het nog tot 1948 duren voordat er weer auto’s vervoerd konden worden met de veerdienst.

De Ramp

Slechts een paar jaar later was het de avond van 31 januari, 1953. Het was al aardig aan het stormen toen de veerboot Koningin Emma in Hoedekenskerke aan kwam, de laatste afvaart uit Terneuzen. Door de wind werd de veerboot te hard tegen de ponton gesmeten waarbij de PSD-medewerker die klaar stond om de trossen aan te pakken in het water viel. Pas na tien minuten lukte het om hem weer uit het water te krijgen maar helaas lukte het de ter plaatse gekomen dokter niet om hem te reanimeren.
Door de storm werd de Emma naar de andere kant van de haven gedreven en raakte aldaar op de glooiing. Met een tros lukte het de veerboot los te krijgen en uit de haven te geraken. De kapitein besloot terug te varen naar Terneuzen. Hij was alleen met zijn stuurman op de veerboot want de rest van de bemanning kon niet meer aan boord worden genomen in Hoedekenskerke.

Na de Ramp was de veerhaven van Kruiningen verwoest. Als tijdelijk vervanger werd een nieuwe, doch gebrekkige veerdienst in het leven geroepen: Hoedekenskerke-Perkpolder. In juni werd een proef gehouden om de Prins Hendrik in te zetten op deze veerdienst. De veerboot bleek echter te groot voor Hoedekenskerke.
In maart 1953 stond de kapitein van de Prins Willem I voor eenzelfde keuze als zijn collega op de Luctor et Emergo 14 jaar eerder. Doordat plotseling een bootje uit de haven van Terneuzen gevaren kwam zou zijn veerboot hen frontaal aanvaren of hij moest de veerboot op de havendam zetten. Hij koos voor het laatste en redde hiermee de levens van de opvarenden van de tegenligger.

De schade aan de veerboot was minimaal, bleek toen de veerboot weer los kwam. De reparatie in Vlissingen duurde slechts enkele dagen. In de tussentijd werd de Emma ingezet op de veerdienst. Aangezien het oostelijk veer uit de roulatie was werd de veerdienst naar Terneuzen van groot belang.

Het was dan ook enorm druk in de kleine straten van Hoedekenskerke. In 1953 zouden totaal 80.295 auto’s vervoerd worden, meer dan ooit tevoren. Ter vergelijking vervoerde de dienst in het beste jaar hierna (1968) ‘slechts’ 45.302 auto’s. Toch bleef het vervoersaanbod gedurende de jaren 50 gestaag toenemen. Daarom werd in 1960 weer een proef gehouden met de veerboot Prins Hendrik tussen Terneuzen en Hoedekenskerke. Hoewel men uit de ervaringen van 1953 al geleerd had dat de haven van Hoedekenskerke niet geschikt was voor dit schip ging men het toch nog een keer proberen.

Koplader

De Prins Willem I werd in de zomer van 1960 namelijk ingezet op de Oosterschelde. De veerboot Oosterschelde deed dienst bij Rederij Doeksen tussen Harlingen en West-Terschelling. Het was dus een heel geschuif bij de Provinciale Stoombootdiensten. Het kwam er op neer dat er geen veerboot beschikbaar was voor Terneuzen, vandaar dat de Hendrik mocht komen invallen.
Het was nogal een verschil met de kleine zijladers, die grote ferryboot. In de krant werd met trots gemeld dat er met de ferryboot wel 800 passagiers en 40 tot 50 auto’s tegelijk konden worden vervoerd.

Maar achteraf gezien bleek het toch weer geen succes met de Hendrik en voeren de Prins Willem I en de Oosterschelde weer beurtelings door. Elke veerboot voer een half jaar lang op de veerdienst en werd daarna vervangen door de andere. De Koningin Emma kon sinds de verlenging van 1955 niet meer aanmeren in Hoedekenskerke.

Dubbeldekkers gooien roet in eten

De verbeteringen op de veerdienst Kruiningen-Perkpolder kwamen niet ten gunste van Terneuzen-Hoedekenskerke. Steeds meer automobilisten maakten gebruik van een van de twee dubbeldeksveerboten in plaats van de oude zijlader. Ook was er sprake van een soort uitruil, de verlieslijdende veerdienst werd als het ware geruild tegen de dubbeldekker Prins Willem-Alexander (1970). Geld was er niet om beide veerdiensten in stand te houden. Bovendien was de veerboot Prins Willem I van Terneuzen-Hoedekenskerke in 1972 al bijna 40 jaar oud.

Eind 1971 kwam Sinterklaas nog een keer aan met de zijlader in Hoedekenskerke. Lang zou het niet meer duren voordat er definitief een einde kwam aan de veerdienst. Geld om de veerdienst te moderniseren was er al helemaal niet. Daarom viel op 3 januari 1972 het doek voor de veerdienst.

Na opheffing

De veerboten werden verkocht en in Zeeland werd een poging ondernomen een particuliere veerdienst te onderhouden. Maar dit werd geen succes. Eind mei 1972 werden in Hoedekenskerke de ponton en de toegangsburg verwijderd. In Terneuzen bleef de ponton liggen tot 2008. Wel is nog de brug te zien die toegang tot de ponton verschafte. Maar deze brug is niet meer te betreden en daarom afgezet met een hekwerk.

In Hoedekenskerke herinneren alleen de meerpalen aan de ponton en de brug. Het Wachtlokaal uit 1934 is nog wel in tact. Eind 2010 werd dit lokaal annex kantoor bedreigd door de plannen van Rijkswaterstaat om de dijk te gaan verzwaren. In het voorjaar van 2011 is besloten het gebouw te verplaatsen. Onduidelijk is nog waar het heen gaat. Het naastgelegen restaurant uit 1946 wordt wel gesloopt.

In het najaar van 2011 werd dan toch bekend dat het gebouw gesloopt gaat worden. De kosten van het eventuele verplaatsen zouden volgens waterschap Scheldestromen te hoog zijn. Verschillende Zeeuwen protesteren hiertegen omdat er slechts weinig historische gebouwen van de PSD zijn overgebleven. Hierop werd besloten het gebouw toch te behouden en dus te verplaatsen.