Oosterschelde

De Ooster-Schelde (na de oorlog Oosterschelde geheten) is de tweede veerboot uit een serie van drie moderne zijladingsveerboten. De schepen werden in 1933 gebouwd bij scheepswerf De Schelde in Vlissingen. De opdracht voor de bouw van de drie schepen kwam in de zomer van 1932, toen Gedeputeerde Staten van Zeeland de aanbesteding gunden aan Koninklijke Mij. De Schelde in Vlissingen. De officiële order volgde op 14 oktober 1932.

Een opvallende keuze aangezien De Schelde bij de aanbesteding niet de goedkoopste offerte kon aanbieden. Provinciale Staten zag de order graag binnen Zeeland blijven en ook de gemeente Vlissingen had hier belang bij ‘gezien de stad door slapte van het werk aan De Schelde zeer getroffen werd’, valt te lezen in het tijdschrift Het Schip eind 1932. Daarom gaf de gemeente Vlissingen een subsidie gelijk aan het verschil in kosten van de bouw bij De Schelde en de laagste inschrijver. Omdat de drie schepen in tijden van crisis gebouwd werden, kregen zij ook wel de bijnaam ‘crisisboten’.

Bij de werf in Vlissingen stond de Ooster-Schelde te boek als bouwnummer 198. De zusterschepen van de Ooster-Schelde zijn de Koningin Emma (bouwnummer 197) en de Prins Willem I (bouwnummer 199). De Ooster-Schelde werd met de Koningin Emma gelijktijdig gebouwd op de noordhelling van De Schelde. De kiel werd gelegd op 28 januari 1933 en op 12 juni 1933 vond de tewaterlating plaats.

Na de officiële proeftocht op 20 november 1933, werd de veerboot op 29 november 1933 voor het eerst ingezet op de dienst Zierikzee – Wolphaartsdijk, over de rivier waarnaar de veerboot vernoemd is. Een lokale krant schrijft over deze festiviteit:

Na begroeting der autoriteiten, ging de directeur van den Ooster-scheldienst voor om het prachtige motorschip eens geheel op te nemen.

Het schip werd door de opvarenden geprezen vanwege het ontwerp waarmee ook makkelijk achteruit gevaren kon worden. De Ooster-Schelde beschikt namelijk ook over een roer aan de voorzijde van het schip en door middel van een elektrische stuurinrichting kan makkelijk worden omgeschakeld tussen voor en achteruit varen. Het achteruit varen was een traditie bij de PSD en bovendien nodig om het Havenkanaal van Zierikzee te verlaten.

Op 9 januari 1934 vaart de Ooster-Schelde in dichte mist de dijk op, ergens tussen Wolphaartsdijk en Katscheveer.

Bekijk ook: Een foto van deze stranding en andere vooroorlogse foto’s van de veerboot Ooster-Schelde.

Ontwerp & machine

De Ooster-Schelde werd net als haar zusterschepen uitgerust met een tweetakt vijfcilinder dieselmotor (420 APK, 260 omwentelingen per minuut) van het merk Schelde-Sulzer. Scheepswerf en machinefabriek De Schelde mocht tussen 1921 en 1985 motoren bouwen in licentie van Sulzer. De Schelde-Sulzermachine is in de Ooster-Schelde is van het type ‘5 RK-SP 36’ en meet 3,6 x 4,6 meter. De machine werd na de stapelloop in de veerboot geplaatst, op 8 augustus 1933. Naast de hoofdmotor staan er ook nog een hulpmotor van Bolnes en generatoren in de machinekamer. De machinekamer is anno 2016 nog steeds in vrijwel originele staat.

Het ontwerp van de veerboten was van de hand van Ingenieursbureau M.A. Cornelissen te Amsterdam. Hetzelfde bureau heeft ook andere PSD-veerboten ontworpen, gelijkenissen met schepen als de Zeeuwsch-Vlaanderen zijn dan ook zeker te zien.

De veerboot oogt modern voor de tijd waarin het ontwerp gemaakt is. De drie zusterschepen waren de eerste zijladers die gebouwd werden op het vervoer van auto’s.

Bekijk ook: De zeer gedetailleerde bouwtekening van de veerboot Oosterschelde.

In de oorlog

Op de dag van de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de Ooster-Schelde gevorderd door Defensie en naar Terneuzen gestuurd om te dienen voor troepentransport naar Hoedekenskerke. Dit in tegenstelling tot zusterschepen Koningin Emma en Prins Willem I, die al eerder gevorderd waren en werden ingezet als hulpmijnenleggers. Tijdens de Meidagen werd het schip op verschillende diensten ingezet, uiteindelijk vooral tussen Vlissingen en Breskens.

Geregeld vonden er beschietingen en bombardementen plaats tijdens het transport van militairen over de Westerschelde. Zeeland bleek inmiddels onverdedigbaar te zijn geworden en Middelburg was in vuur opgegaan. Door terugtrekkende Franse militairen – die Zeeland hadden geholpen met de verdediging – werd de Ooster-Schelde op 16 mei 1940 tot zinken gebracht in de haven van Breskens. Op deze manier kon het schip niet ten prooi vallen aan de Duitse bezetter, was de gedachte destijds.

Relatief snel werd het schip gelicht (20 augustus 1940) en naar Vlissingen gebracht. Van Vlissingen werd de Ooster-Schelde op 20 september 1940 verhaald naar een droogdok in Middelburg en vier dagen later van het droogdok naar een terrein naast de meelfabriek. Het wrak van de in Breskens gezonken veerboot wordt op 19 augustus 1941 van Middelburg naar Perkpolder gesleept, om op 29 maart 1943 weer terug te keren naar de werf in Vlissingen. De bezetter wilde vaart zetten achter het herstel van de veerboten, ten einde deze zelf te kunnen inzetten mocht dat nodig zijn.

zijladers in oorlog

Het bombardement

In de nacht van 31 mei op 1 juni 1943 werd Vlissingen getroffen door een geallieerd bombardement. Een bom viel op de werf tussen de Prins Willem I en de Ooster-Schelde in en resulteerde in twee doormidden gebroken en gezonken veerboten. De zijlader was bijna vaarklaar toen de bom insloeg. Nu zou de Ooster-Schelde definitief niet meer in dienst komen tijdens de oorlog. De reparatie werd namelijk met slimme sabotage uitgesteld door werfpersoneel en de PSD had besloten de boot te verlengen.

De Ooster-Schelde wordt op 19 juni 1943 gelicht van de bodem van de Dokhaven en op de kade gezet doormiddel van een drijvend bok.

Na de oorlog kregen de Ooster-Schelde en de Prins Willem I voorrang bij herstel. Aangezien er toch niet veel auto’s meer rondreden en brandstof schaars was, waren kleine zijladers meer nodig dan de grote kopladingsveerboten Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik.

De PSD gaf op 26 januari 1945 het verzoek aan De Schelde om de Ooster-Schelde en de Prins Willem I met 6 meter te verlengen, hetgeen uitgevoerd werd vanaf 5 mei 1945. Bij de herstelwerken werden de veerboten ontdaan van de
achtersalon ten behoeve van het vervoer van auto’s. Daarnaast kwam het koppelteken in de scheepsnaam te vervallen, voortaan heette de veerboot Oosterschelde. De herstelde Oosterschelde ging op 26 augustus 1946 van stapel, samen met zusterschip Prins Willem I. Op 18 oktober 1946 werd de eerste proefvaart gemaakt, in gezelschap van minister-president Beel en Commissaris van de Koningin Jhr. Johan Willem Quarles van Ufford. Daarop kwam de Ooster-Schelde op 25 oktober 1946 als Oosterschelde weer in vaart, voornamelijk op de dienst Vlissingen-Breskens. Het schip was door de verlenging in staat om 18 auto’s per dienstreis over te zetten, voorheen waren dat er 10.

Bekijk ook: Een interessante foto uit deze periode van de Oosterschelde in Vlissingen.

In december 1948 werd de Oosterschelde als eerste Zeeuwse veerboot uitgerust met een radarinstallatie, op 28 januari 1949 kwam het schip weer in de vaart. De kosten voor het inbouwen van de radar bedroeg 37.035 gulden. Een gigantisch bedrag als je in oog houdt dat de bouw van het schip in 1933 ‘slechts’ 187.171 gulden gekost had.

Na de Watersnoodramp van 1953 heeft de Oosterschelde gevaren als evacuatieschip.

Terneuzen

Omdat het schip feitelijk platgebrand was in de oorlog en vanaf de romp opnieuw opgebouwd werd, kon het nog jaren mee. De veerboot hield het dan ook langer vol in de PSD-vloot dan het in de oorlog ongeschonden zusterschip Koningin Emma. De Oosterschelde kwam na de oorlog in dienst tussen Terneuzen en Hoedekenskerke. Daar verving het de gehuurde veerboot Koningsplaat.

Terschelling

De Oosterschelde is vercharterd aan Rederij Doeksen en in de zomers tussen 1959 en 1963 ingezet als veerboot op de dienst Harlingen – West-Terschelling. De Zeeuwse veerboot werd speciaal gebruikt om veel auto’s te vervoeren naar het eiland. Doeksens eigen vlaggenschip de Friesland (bouwjaar 1956) had namelijk weinig ruimte voor auto’s.

In dienst bij Doeksen was in die jaren ook nog de Schellingerland: de voormalige Zeeuwsch-Vlaanderen die in 1933 verkocht was naar Terschelling, vanwege de de komst van (onder andere) de Oosterschelde.

Lees ook: Een uitgebreid artikel over de Oosterschelde bij Doeksen.

De laatste PSD-jaren

Eind december 1968 werd de zijlader twee weken lang ingezet samen met de Prinses Christina op Kruiningen-Perkpolder. Dit omdat Rijkswaterstaat werkzaamheden aan de kleine fuiken – gebruikt door de schepen Koningin Juliana en de Prins Bernhard – moest uitvoeren. Daardoor was alleen de dubbeldekker Prinses Christina beschikbaar en kwam de Oosterschelde voor versterking invallen.

Na de opheffing van het veer Terneuzen – Hoedekenskerke op 2 januari 1972 was de Oosterschelde overbodig geworden in de PSD-vloot en opgelegd in de Binnenhaven te Vlissingen. De laatste dienst waar met zijladers gevaren werd was nu opgeheven. Daarom werd in 1972 de Oosterschelde verkocht en is het schip Jutter gedoopt.

Na de PSD

De PSD verkocht de Oosterschelde op 22 februari 1972 voor 34.965.56 gulden (inclusief belastingen) aan de heer mr. Eduard Tak, wonende te Middelburg. Tak was directeur van de naamloze vennootschap N.V. Metaalmaatschappij M.L. Polak en Zoon. De Oosterschelde werd niet gesloopt, maar doorverkocht aan Th. F. Nebbeling in Den Helder.

Op vrijdag 24 maart 1972 werd vanuit Vlissingen een proefvaart gehouden met de Oosterschelde, van 07.30u tot 13.30u. Tak of Nebbeling maken hiervoor gebruik van een PSD-kapitein, scheepswerktuigkundige en een kwartiermeester. Kennelijk beviel het schip, want de Oosterschelde vertrok op 27 maart 1972 vanuit Vlissingen naar Den Helder.

Den Helder

De tocht van Vlissingen (Buitenhaven) naar Den Helder ging binnendoor, aangezien de Oosterschelde ingeschreven stond bij de scheepvaartinspectie als binnenvaartschip. Net zoals het geval was bij het wegbrengen van de Prins Willem I, vroeg ook de nieuwe eigenaar van de Oosterschelde alleen de hulp van een PSD-scheepswerktuigbouwkundige. Deze PSD’er vulde de dagen 27, 28, 29, 30 maart in op zijn loonstrookje, ongeveer 800 gulden moest Nebbeling voor zijn dienst betalen. Nebbeling verzuimde echter op tijd te betalen, tot ongenoegen van de PSD. Op 16 juni 1972 werd nog een herinnering verstuurd door de PSD aan Nebbeling. Het is onduidelijk of hierna de rekening betaald werd, of de PSD het opgaf.

Onder de naam Jutter verzorgde de voormalige veerboot vanuit Den Helder een tijdje sportvistochten, met een maximale capaciteit van 250 passagiers. Daarnaast werd de Jutter gebruikt als drijvende discotheek.
Bekijk ook: Unieke foto’s van de Jutter in Den Helder.

Al in 1973 kwam de Jutter in Amsterdam terecht en in 1974 werd het schip aan de Waal bij Dodewaard afgemeerd. De veerboot werd daar gebruikt als bunkerstation voor de binnenvaart. Pas in 1981 vertrok het schip – op eigen kracht – uit Dodewaard en werd koers gezet naar Lelystad. Aan de Oostvaardersdijk werd de voormalige veerboot afgemeerd als drijvend restaurant.

In Lelystad exploiteerde W.B. Luttikhuizen het schip vanaf 1982. In die tijd is ook de opbouw op het autodek gemaakt. Het schip kreeg de naam Prins Willem I, ook de scheepsnaam van het toen inmiddels gesloopte zusterschip van de Oosterschelde.

In 1990 werd de voormalige Oosterschelde gekocht door Hans Borrel en Willem Jan genoemd. De Willem Jan deed dienst als party/restaurantschip in Zwolle. Op 7 juli 2007 werd het schip naar het dok van Balk Shipyard op Urk gesleept. Nog altijd ligt de Willem Jan in Zwolle, maar het restaurant is inmiddels failliet gegaan.

Reddingsactie Oosterschelde

De Werkgroep PSDnet.nl is in 2014 begonnen met een reddingsactie, om te voorkomen dat de voormalige Oosterschelde gesloopt wordt. Het schip staat te koop in Zwolle, de Werkgroep is van plan de veerboot af te laten meren in Vlissingen. Eind 2014 gaf de Gemeente Vlissingen hiervoor toestemming. In maart 2015 werd een investeerder gevonden die de Oosterschelde wil kopen en in Vlissingen wil afmeren. In april begonnen de onderhandelingen tussen deze ondernemer en de huidige eigenaar van het schip in Zwolle.

Oosterschelde niet naar Vlissingen

Eind juli 2015 werd bekend dat de voormalige PSD-veerboot Oosterschelde niet meer naar Vlissingen komt. In mei bleek het schip te zijn verkocht aan twee Zwolse ondernemers. Dit tot grote verrassing van PSDnet.nl en de Vlissingse ondernemer, die hierover niet ingelicht werden.

De voormalige Oosterschelde is weer een horecaschip in Zwolle. De eigenaren hebben laten weten dat het schip de originele naam Ooster-Schelde terugkrijgt. Niet helemaal historisch correct, omdat de veerboot na verlenging Oosterschelde is genoemd en het schip in Zwolle nog steeds verlengd is.

Op 5 juli 2016 vertrok de voormalige veerboot voor het eerst sinds 2007 naar de werf. Op Urk werd het schip op het droge gezet voor onderhoud. Hierbij werd ondermeer het onderwaterschip weer rood geschilderd.

Foto’s PSD-zijlader Oosterschelde

Bekijk alle Zeeuwse foto’s van de PSD-veerboot Oosterschelde (1933) op de fotopagina.

Zierikzee met de Ooster-Schelde