Koningin Emma

Gedeputeerde Staten van Zeeland gaven in de zomer van 1932 de opdracht voor de bouw van drie nieuwe veerboten aan de Koninklijke Mij. De Schelde in Vlissingen . De officiële order volgde op 14 oktober 1932. Het was een opvallende keuze, aangezien De Schelde bij de aanbesteding niet de goedkoopste offerte kon laten zien. Gezien de economische crisis zag Provinciale Staten de order graag binnen Zeeland blijven. Ook de gemeente Vlissingen had hier belang bij ‘gezien de stad door slapte van het werk aan De Schelde zeer getroffen werd’, valt te lezen in het tijdschrift Het Schip eind 1932. Daarom gaf de gemeente Vlissingen een subsidie gelijk aan het verschil in kosten van de bouw bij De Schelde en de laagste inschrijver. Omdat de drie schepen in tijden van crisis gebouwd werden, kregen zij ook wel de bijnaam ‘crisisboten’.

Op 12 juni liep de Koningin Emma van stapel in Vlissingen, ook de tewaterlating van het zusterschip Ooster-Schelde vond die morgen plaats. Het derde zusterschip, Prins Willem I, liep pas op 8 juli van stapel.

Proefvaart en overdracht

Tijdens de officiële proeftocht op 1 september 1933 hees Commissaris van de Koningin Jhr. Johan Willem Quarles van Ufford de vlag en hiermee nam hij namens de Provincie het schip in ontvangst.

De proefvaart bracht het schip naar Terneuzen en Hoedekenskerke. Tijdens de tocht over de Westerschelde werd een snelheid van 12,25 mijl bereikt, 0,25 meer dan de voorgeschreven snelheid. Op de terugtocht van Hoedekenskerke naar Vlissingen werd de ankerspil uitgetest en zijn de Patentdavids voor de sloepen gevierd. Tegen half zes keerde de nieuwe veerboot terug in Vlissingen.

De PSD maakte op 6 september een tweede proefvaart met de nieuwe Koningin Emma. Binnendoor werd naar Zierikzee gevaren, waar een verkeerde manoeuvre werd gemaakt doordat de bemanning nog niet ingespeeld was met de nieuwe aanwinst. De schade viel mee en het proefvaartgezelschap keerde buitenom terug naar Vlissingen, waarbij genoten werd van de Walcherse duinenrij.

Het ontwerp

De veerboot oogt zeer modern, net als de scheepsmotor van het type Schelde-Sulzer. Bij het ontwerp is rekening gehouden met het vervoer van auto’s door een groter achterdek te maken waar met enig pas en meetwerk een tiental auto’s konden staan. Door de puntige voorsteven werden de drie veerboten ook wel ‘puntboten’ genoemd.
Op de schuine achterkant (in vaktaal ‘kruiserhek’) was een groot gietijzeren wapen van de Provincie aangebracht. Dit wapen is tegenwoordig in beheer van PSDnet.nl. De naam van het schip stond op een houten bord gemonteerd aan het voorste dekhuis.
In de machinekamer stond een tweetakt vijfcilinder dieselmotor (420 APK, 260 omwentelingen per minuut) van het merk Schelde-Sulzer. Scheepswerf en machinefabriek De Schelde mocht tussen 1921 en 1985 motoren bouwen in licentie van Sulzer. In de jaren 80 is de originele scheepsmotor vervangen door een 600 PK MAN-motor uit 1952.

In de vaart

De Koningin Emma kwam op 20 november 1933 in de vaart op de dienst Hansweert – Hoedekenskerke – Terneuzen. Samen met haar twee zusterschepen verving de veerboot oudere stoomschepen als de Zeeuwsch Vlaanderen (1916) en de Noord-Beveland (1912), die na verkoop een nieuwe carrière tegemoet gingen bij Rederij Doeksen op Terschelling.

Een van de eerste klusjes voor de Koningin Emma was eind 1933 invallen voor de Prins Hendrik tussen Hansweert en Walsoorden, aangezien deze veerboot machineschade had opgelopen. In 1938 verrichte de Koningin Emma een bijzondere actie door tijdens slecht weer een in de problemen verkerende beurtschipper op sleeptouw te nemen richting Terneuzen.

Hulpmijnenlegger II

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd de Koningin Emma gebruikt als hulpmijnenlegger voor de Nederlandse Marine. Al op 27 feb 1934 ontving de PSD een brief over deze kwestie, geschreven in hoofdkwartier Willemsoord van de Koninklijke Marine in Den Helder. De schrijver was J.A. Kruys, Kapitein-luitenant ter zee en tevens voorzitter van de Commissie ‘C3 Geheim’. Hij liet weten op een avond de ‘geschiktheid van PSD-schepen om eventueel te dienen als hulpmijnenlegger’ te willen inspecteren.

Pas op 10 november 1938 kreeg de PSD een tekening toegezonden uit Den Helder, met daarop de mijnenbanen en lanceerinrichtingen voor 40 mijnen. Naast de installaties moet ook de ‘verschansing achter wegneembaar gemaakt worden’, waarschijnlijk wordt hiermee de achtersalon bedoeld. In het achterdek kwamen verzonken dekpotjes om de mijnen vast te kunnen sjorren.

De PSD was niet tegen het gebruik van haar schepen door de Marine, maar stelde daar wel wat tegenover: namelijk 1/300e van de exploitatiekosten en het overnemen van PSD-personeel in de periode van vordering. Het getal 300 was berekend omdat een PSD-schip gemiddeld 65 dagen per jaar in onderhoud lag, zoals de PSD-directeur schreef aan de Marine. Den Helder ging akkoord met de financiële voorwaarde, onduidelijk is of ook het personeel werd overgenomen.

Het Ministerie van Defensie benadrukte op 18 januari 1939 nog maar een keer de ernst van de situatie:

Enkele eventuele opofferingen staan niet in een zodanige verhouding tot het Landsbelang, hetwelke door de mogelijkheid tot het aanbrengen der mijnenrails wordt gediend, dat het afzien van deze voorzieningen op redelijke gronden zou zijn te motiveren.

Toch spurt de PSD tegen wanneer de Marine in april 1939 laat weten dat ze voornemens zijn de lanceerinstallatie aan te brengen op de drie zijladers. Ieder schip moest hiervoor 6 weken naar scheepswerf De Schelde. Dit kwam de PSD slecht uit omdat in het voorjaar onderhoud werd gepleegd aan de schepen, om in het zomerseizoen zonder problemen te kunnen varen. Aan dit verzoek werd kennelijk toegegeven.
De Op 4 september 1939 werd de Koningin Emma (Hr.Ms. Hulpmijnenlegger II) samen met de Prins Willem I (Hr.Ms. Hulpmijnenlegger I) gevorderd door de Koninklijke Marine. De lanceerinstallaties werden aangebracht door De Schelde, net als een verduisteringsinstallatie. Een gedeelte van de verlichting kon hiermee op 1/4e spanning gezet worden, zodat het schip minder opviel.

Op 11 november beginnen de veerboten aan hun eerste geheime opdracht. Juist op de dag dat premier De Geer in zijn beroemde radiotoespraak het volk vertelde dat er ‘geen enkele reden tot ongerustheid’ was, waren de mijnenleggers uitgevaren naar de Wielingen. In gezelschap van een aantal andere Marinevaartuigen werd gewerkt aan iets geheims.

7 decemberVaaroefening naar Oostgat en Deurloo, ter orientering in verband met een eventueel aan te leggen tactische versperring.
20 decemberSamen met Hulpmijnenlegger I een vaaroefening naar Hansweert.
22 januari Vaaroefening op de rede van Vlissingen.
23 januariVaaroefening naar het Oostgat.
24 januariVaaroefening naar het Oostgat.
26 januari Schutten naar Binnenhaven.
31 januariSchutten naar Buitenhaven.
9 februari Vaaroefening naar Hansweert.
13 februariVoor een oefening naar de Wielingen.
14 februariVoor een oefening naar de Wielingen.
16 februari Naar het Oostgat.
17 februariLiggen op de rede van Vlissingen.
20 februariEen nachtelijke oefeningen naar de Wielingen, daarna doorstromen naar Hansweert, ankeren op de rede aldaar.
21 februariHaven van Hansweert binnengevaren om 9u, om 13u de haven verlaten voor Vlissingen.
24 februariSchutten naar Binnenhaven.
29 februari Schutten naar Buitenhaven.

Lees ook: Meer over de Hulpmijnenleggers in een apart artikel, bijvoorbeeld over het leven aan boord van deze schepen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

Bijna alle PSD-veerboten waren in de Meidagen van 1940 gevorderd door de Franse troepen. Deze soldaten hielpen het Nederlandse leger om het laatste onafhankelijke deel van Nederland te verdedigen tegen de Wehrmacht. Wanneer de stellingen niet meer houden, besluiten de Fransen te vluchten. Hiervoor moeten zij de Westerschelde oversteken van Vlissingen naar Breskens. Als de laatste troepen aan de overkant zijn, brengen ze de PSD-vloot tot zinken om te voorkomen dat de schepen in Nazi-handen vallen.

Lees ook: Een artikel hierover met unieke foto’s uit mei 1940.

Op 17 mei 1940 werden de Prinses Juliana, Prins Hendrik, Ooster-Schelde en de Prins Willem I tot zinken gebracht in haven van Breskens. De Koningin Emma werd volgens de Koninklijke Marine ‘helaas op het Zaat tot zinken gebracht, zodat het bij laagwater geheel droog kwam te staan.’ De beschadigingen aan de Emma waren gering en de veerboot kon als enige van de drie zijladers gedurende de oorlog varen als veerboot, tot op 5 september 1944 de veerboot gevorderd werd door de Wehrmacht.

Bekijk ook: Een bijzondere foto van Duitse soldaten op de Koningin Emma in 1943.

Na de oorlog geeft de Marine een overzicht van de oorlogshandelingen van de Koningin Emma, aangezien het schip gevorderd was door de Koninklijke Marine in 1940. Na de Duitse vordering van 5 september 1944 – Dolle Dinsdag – moest de Zeeuwse bemanning van het schip onderduiken. De bezetters bleken al snel zelf niet goed om te kunnen gaan met de technische kant van de zijlader, waardoor de machine voortdurend kapot ging. Het schip lag dan ook veel aan de kant.

Vluchtschip voor NSB’ers

Na Dolle Dinsdag beginnen de Duitse bezetter en hun NSB-sympathisanten vrees te krijgen dat een geallieerde aanval op handen is. In het hele zuiden van Nederland land beginnen deze groepen aan hun exodus. De Duitsers regelen daarom een evacuatie van Zeeuwse NSB’ers, met de Koningin Emma. Via Veere vaart het schip binnendoor weg uit Zeeland en komt het terecht in Dordrecht, waar de NSB’ers zich veiliger voelen.

De machine van de Koningin Emma is volgens de Marine ‘vrijwel vermoord’, het is daarom niet verwonderlijk dat de bezetter de Emma naar de Rotterdamse Wilton & Feyenoord werf stuurde. Op die werf werd begonnen met het inbouwen van nieuwe hulpmachines, maar dit werk is nooit afgemaakt. De Koninklijke Marine vond de Koningin Emma bij de bevrijding van Holland op de Rotterdamse werf.

In Vlissingen is de Koningin Emma hersteld en op 24 november 1945 kon de veerboot weer worden ingezet. De zijlader blijft de oorspronkelijke 49 meter lang, de zusterschepen Prins Willem I en Oosterschelde (na de oorlog verviel het koppelteken in deze naam) werden echter met 6 meter verlengd. De Koningin Emma keerde in de vroege naoorlogse periode terug naar het veer Terneuzen-Hoedekenskerke.

Na de oorlog

Door het toegenomen vrachtverkeer besloot men midden jaren 50 de Koningin Emma met 10 meter te verlengen, zodat er meer auto’s vervoerd konden worden op het achterdek. Ook werd de achtersalon weggelaten, alleen de trap naar de op het bovendek gelegen salon bleef aanwezig. Deze ingreep is afgekeken van de twee al verlengde zusterschepen van de Koningin Emma.

Door de verlenging werd 248 vierkante meter autodek gecreëerd. De zusterschepen Oosterschelde en de Prins Willem I hadden na verlening in 1946 ongeveer 216m2 rijdek. Ter vergelijking: de Prinsesseboot Prinses Beatrix (1958) had 1300m2 ruimte voor auto’s.
De Koningin Emma bleek na de verlenging niet meer te kunnen varen tussen Terneuzen en Hoedekenskerke, omdat de havens te krap waren. Daarom verhuisde het schip naar de Oosterscheldedienst. Het personeel van de Provinciale Stoombootdiensten maakte er een sport van zoveel mogelijk auto’s aan boord te krijgen. Men schuwde er niet voor een kleine personenwagen des noods met een paar man op te tillen om een klein gaatje op het achterdek te vullen.

Bekijk ook: Een mooie serie kleurenfoto’s gemaakt van deze veerdienst in de jaren 60.

Zeelandbrug

1965 was het laatste jaar van de Oosterscheldedienst. De Oosterscheldebrug naderde zijn voltooing en Schouwen-Duiveland was bijna verbonden met Noord-Beveland. Op 14 december 1965 werd voor de laatste keer tussen Kats en De Val gevaren, de Oosterscheldebrug werd de volgende officieel geopend. Bij de laatste afvaart kregen passagiers door de Zeeuwse landbouw een speciaal delftsblauw tegeltje aangeboden. Hieronder zijn beelden te zien uit het Polygoon Journaal over de opening van de Oosterscheldebrug. De ‘stoompont’ vaart voor de laatste keer, spreekt de voice-over…

Logementsschip in Wolphaartsdijk

Het schip werd overbodig en daarom verkocht de PSD de Koningin Emma op 11 oktober 1968 voor 47.250 gulden aan de Firma J. Zuidweg & Zn te Kapelle: de uitbaters van de jachthaven De Zandkreek in Wolphaartsdijk. Daar gaat de ‘Emma’ – de PSD stond niet toe het schip ‘koninklijk’ te verkopen – ging daar dienst doen als logementsschip. De PSD bood een bemanning aan om het schip weg te brengen van Vlissingen naar Wolphaartsdijk: personeelskosten 228 gulden.

Dames van lichte zeden in Rotterdam

In 1974 werd de Emma verkocht naar Rotterdam en werd de naam gewijzigd in Estrella Del Sur. Het schip was een nachtclub geworden, bevolkt met dames van de lichte zeden. Hieronder een advertentie:

Estrella Del Sur: Uw relaxschip ligt einde Maasboulevard. Voorbij stoplichten, eindpunt Lijn 1 rechtsaf. Bij splitsing links tot water. Smalle weg rechts naar parkeerplaats. Middag- en avond lifeshow (sic). Relaxen zonder clubbezoek mogelijk. Wij varen met paren.

Aan boord vonden wel erg duistere zaken plaats die meer in de hoerenbuurt thuishoorden, berichtte Schuttevear destijds. De nachtclub werd opgedoekt en Rederij Vrolijk uit Scheveningen koopt de Estrella Del Sur. In Scheveningen werd het schip Estrella gedoopt en ingezet voor sportvisserij.

Estrella

In 1984 komt de Estrella terug naar Zeeland om rondvaarten te verzorgen in het kader van Terneuzen 400 jaar. Tegenwoordig vaart de Estrella nog steeds als sportvisboot in Scheveningen. Tevens fungeert het schip als ‘stoomboot’ van Sinterklaas tijdens de jaarlijkse intocht in de havenstad.

Foto’s PSD-zijlader Koningin Emma

Bekijk alle Zeeuwse foto’s van de PSD-veerboot Koningin Emma (1933) op de fotopagina.

Aankomst aan steiger Katscheveer
© fotoarchief.nu