Geschiedenis

Zeeland was vroeger een provincie met ontelbare eilanden, waar sinds mensenheugenis tussen gevaren werd. De eerste enigszins regelmatige verbindingen vanuit Vlissingen met ‘de overkant’ dateren al uit de 12e eeuw. Deze diensten werden uitgevoerd met bijvoorbeeld platbodems.

De organisatie

In 1828 verleende de Provincie Zeeland voor het eerst subsidie aan de stoombootveerdienst tussen Vlissingen en Breskens. Pas in 1866 nam de provincie echter de gehele exploitatie van de veerdiensten in handen, daarom wordt meestal gesproken over dit jaar als het begin van de Provinciale Stoombootdiensten. Opgemerkt moet worden dat dit alleen de veerdiensten over de Westerschelde betrof, ‘Provinciale Stoombootdiensten over de Westerschelde’ is daarom historisch gezien de juiste naam. De dagelijkse uitvoering van de Westerscheldedienst stond vanaf 1869 onder verantwoordelijkheid van een directeur.
Pas in 1912 nam de Provincie ook de diensten over de rivier Oosterschelde over. Deze dienst werd op administratief vlak strikt gescheiden gehouden van de Westerscheldedienst en kreeg derhalve ook een eigen directeur. Wel onderhielden de twee directeuren goed contact, bijvoorbeeld over het uitlenen van elkaars schepen.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 werden de Provinciale Stoombootdiensten over de Oosterschelde verenigd met die over de Westerschelde. Technisch gezien is er dus pas vanaf 1940 sprake van de Provinciale Stoombootdiensten in Zeeland (PSD). De PSD was verantwoordelijk voor de uitvoering van de veerdiensten en was op een enkele uitzondering na eigenaar van de schepen. De bouw en het onderhoud van aanlegsteigers en -inrichtingen was echter een taak van Rijkswaterstaat.

Vooruitgang

In 1928 werd de eerste kopladingsveerboot in dienst genomen op Vlissingen-Breskens. Een schril contrast met de schepen uit de beginperiode. Een beroemde quote uit de geschiedenis van de Zeeuwse veerboten is ‘Men kan er nauwelijks een geit mede overzenden’, uitgesproken door een statenlid in 1866 na een proefvaart met de raderstoomboot Zeeland.

Later werden degelijke raderstoomboten aangeschaft waarmee de veerdiensten jarenlang konden worden onderhouden. De provincie maakte een grote ontwikkeling door eind 19e eeuw. Zo werd in 1873 de spoorlijn tussen Vlissingen en Roosendaal opgeleverd en in 1875 werd de Vlissingse werf De Schelde opgericht: de industriële revolutie kon losbarsten. Een uitgebreid tramnetwerk bracht wekelijks reizigers uit zelfs België naar de markt in Middelburg. Het moge duidelijk zijn dat de veerboten een belangrijke schakel in de Zeeuwse geschiedenis hebben gespeeld.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was deze schakel uitgebouwd tot twee moderne veerbedrijven voor de diensten over de Ooster- en Westerschelde. Vanaf 1933 waren nog slechts twee stoomboten opgenomen in de vloot van de twee veerbedrijven. Drie kopladers verzorgden de belangrijkste diensten over de Westerschelde, moderne zijladers gebouwd in Vlissingen namen de overige diensten voor hun rekening. Reizigers konden in en tussen Vlissingen en Middelburg gebruik maken van de elektrische tram en in 1934 kwam de eerste dieselelektrische trein aan in Vlissingen. Op technisch vlak was Zeeland in bloei in het interbellum.

Oorlog en watersnood

Tijdens de Slag om Zeeland in mei 1940 kreeg de provincie zware klappen te verduren. De moderne PSD-vloot werd in enkele dagen bijna volledig verwoest. De meeste veerboten waren tot zinken gebracht in de haven van Breskens, nadat geallieerde Franse troepen de schepen hadden gebruikt om zich terug te trekken. Ook Zeeland capituleerde. De oorlog kenmerkt zich vooral door het bombardement op de Luctor et Emergo met 12 doden en de beschieting van de Prins Hendrik waarbij 21 opvarenden overleden.

In 1953 kreeg Zeeland te maken met de Watersnoodramp. PSD-veerboten werden gebruikt om drenkelingen te vervoeren naar drogere gebieden. Personeel van de veerdiensten beleefde tijdens de Rampnacht benauwde uren. Ook de infrastructuur was na de Ramp vaak verwoest, de dienst Kruiningen-Perkpolder kon zelfs pas na een jaar worden hervat.

Deltawerken en oeververbindingen

In 1958 trokken honderden Zeeuwen naar Den Haag om te demonstreren tegen het besluit om weer tol in te voeren voor de veren, na de oorlog werd tijdelijk gestopt met de tolheffing. Tijdens deze Vrije Veren-demonstratie voerde sleutelfiguur Honoré Colsen overleg met de minister, maar dit liep op niets uit. De tarieven kwamen er, alsmede nieuwe veerboten en infrastructuur.

De Deltawerken hadden als neveneffect dat veel veerdiensten overbodig werden. Het afsluiten van de Zandkreek en het Veerse Gat zorgde voor het verdwijnen van de veerdiensten over die Zeeuwse stromen. Ook het fenomeen ‘vaste oeververbinding’ begon een bedreiging te vormen voor de veerdiensten. Als eerste werd de Zeelandbrug over de Oosterschelde aangelegd, in 1965 maakte de veerboot naar Zierikzee de laatste afvaart.
Vanaf de jaren 60 wisselden de plannen voor een vaste oeververbinding over de Westerschelde in hoog tempo. Het waren onzekere tijden voor de veerdiensten en menig PSD’er. In 1968 werd dan toch de eerste dubbeldeksveerboot in dienst genomen op de veerdienst Kruiningen-Perkpolder: Een van de grootste modernisering van de veerdiensten uit de PSD-geschiedenis.

Terwijl Delftse ingenieurs ruziën over welke gedaante de vaste oeververbinding over de Westerschelde moet krijgen, leek deze vaste verbinding in Zeeland nog ver weg. Daarom kwamen vanaf 1986 ook dubbeldeksveerboten in dienst op Vlissingen-Breskens.
Op de PSD-veerboten werd een ruim assortiment aan eten en drinken aangeboden. De veerdiensten stonden jarenlang bekend om de erwtensoep (snert) en de broodjes kroket. Veel Zeeuwen bewaren goede herinneringen aan de PSD-kroket.

Tot en met de laatste klant veilig naar de overkant

De knoop werd in 1996 doorgehakt: er kwam een tunnel onder de Westerschelde tussen Ellewoutsdijk en Terneuzen. Zeeland nam in 1997 nog een laatste veerboot in dienst, terwijl enkele maanden later de bouwwerkzaamheden begonnen aan de oever bij Terneuzen. De Zeeuwse dubbeldeksvloot is voltooid met het vijfde schip, de in Vlissingen gebouwde Prins Johan Friso.
Slechts zes jaar heeft men van de laatste veerboot kunnen profiteren, want op 14 maart 2003 werden de laatste auto’s vervoerd over de Westerschelde. Sindsdien kan men op 60 meter diepte het gaspedaal ingedrukt houden om aan de overkant te geraken. De veerboot Koningin Beatrix maakte op 15 maart de laatste afvaart onder PSD-vlag. Zeeland en omstreken is massaal uitgelopen om afscheid te nemen van ‘de boot’, een stukje Zeeuwse geschiedenis is niet meer, de PSD werd officieel opgeheven.

Alleen de veerdienst Vlissingen-Breskens is overgebleven voor fietsers en voetgangers. De twee voetveerboten zijn eigendom van de Provincie, maar de exploitatie werd uitbesteed. Eerst aan BBA Fast Ferries, toen aan Veolia. In 2014 mislukte openbare aanbesteding van de veerdienst, omdat er geen gegadigden waren door aanhoudende problemen met de twee veerboten. Vanaf 1 januari 2015 nam de Provincie zelf de exploitatie in handen onder de naam Westerschelde Ferry BV. In 2015 is men dus weer terug bij af: Een Provinciale ‘Stoombootdienst’ over de Westerschelde. Net als in 1866 toen de PSD werd opgericht.

De imposante PSD-dubbeldekkers werden in 2003 en 2004 verkocht en zijn tegenwoordig in Italië te vinden. In Nederland zijn ook nog een aantal voormalige PSD-veerboten te vinden, waarvan slechts een klein bootje binnen de provinciegrenzen een museumstatus bezit.
 De werkgroep achter de website PSDnet.nl probeerde de zijlader Oosterschelde (1933) terug naar Zeeland te halen, maar de veerboot bleef in Zwolle als partyschip.