Zeeuwsche veerboten als Hulpmijnenlegger
Op 4 september 1939 werd de Prins Willem I samen met de Koningin Emma gevorderd door de Koninklijke Marine. Beide veerboten werden bij De Schelde in Vlissingen verbouwd tot hulpmijnenlegger.
De marine gaf de twee veerboten dan ook de namen Hulpmijnenlegger I & II.
Naar goed marine gebruik werden de schepen officieel aangeduid met de titel Hr. Ms. De twee veerboten hebben echter nooit de namen Hr. Ms. Prins Willem I en Hr. Ms. Koningin Emma gedragen.

© Nederlands Instituut voor Militaire Historie
Er is erg weinig bekend over deze periode, daarom ging psdnet.nl op onderzoek uit. Een van de eerste acties van de twee hulpmijnenleggers betrof een ‘geheime opdracht’ op 11 en 12 november 1939.
Juist op de dag dat premier De Geer in zijn beroemde radio rede het volk vertelde dat er ‘geen enkele reden tot ongerustheid’ was, waren de mijnen- leggers uitgevaren naar de Wielingen. In gezelschap van een aantal andere marine vaartuigen werd gewerkt aan iets geheims.
Tijdens deze geheime missie blijken mijnen gelegd te zijn. Het scheepvaart- verkeer was gestremd. Aanleiding voor het versperren van de vaarweg vormde een acute veiligheidsdreiging. Nadat na ruim een week de ‘spanning afgenomen’ was werden een aantal mijnen weer geruimd en kon de scheepvaart over de Wielingen hervat worden.
De rest van het jaar 1939 werden met beide hulpmijenleggers geoefend. Hoewel vaak actieve mijnen op het achterdek stonden kon niet altijd meer geoefend worden met het lanceren van de mijnen in de zee. Het betrof dan veelal vaaroefeningen over de Westerschelde en het uitzoeken van strategische plekken voor mijnversperringen op de rivier. De hulpmijnenleggers werden voortdurend bemand. De ligplaats was de Vlissingse Buitenhaven.
A.P. Klercq was Luitenant 3e klasse en commandant van Hulpmijnenlegger I. Hij vroeg in 1939 al om ‘voetbalmateriaal’ om de tijd wat te doden en fit te blijven. Pas in januari 1940 kregen hij en zijn mannen eindelijk de felbegeerde voetbal van de marine..
De Hulpmijnenlegger I voerde naast alle oefeningen op 16 februari 1940 een ‘echte’ missie uit. Een drijvende mijn, model 1907, was gerapporteerd in de Deurloo. Ter plaatse werd de reddingboot gestreken en de mijn gedemonteerd. Het omgekeerde werk voor een mijnenlegger dus.
De Westerschelde lag begin 1940 vol ijs. Saillant detail is dat de marine commandanten in hun rapporten verplicht de condities voor zwemmen op moeten schrijven. Het zal niemand verwonderen dat gedurende de winter niet gezwommen kon worden als sportbeoefening.
Commandant Klercq werd gepromoveerd tot 2e klasse Luitenant in februari 1940. Na nog één grote tweedaagse oefening met beide hulpmijnenleggers naar Hansweert op 20 februari zat zijn taak erop.
Hulpmijnenlegger I keerde weer als Prins Willem I terug naar de PSD. Alleen de Hulpmijnenlegger II werd behouden onder gezag van commandant P.W.C. de Vos.
Op 27 april 1940 wordt de Prins Willem I weer gevorderd en in dienst genomen als Hulpmijnenlegger I. Nederland capituleerde op 15 mei na het bombardement op Rotterdam de dag ervoor. Maar de strijd in Zeeland ging door. Op 17 mei vond het bombardement op Middelburg plaats. Tot 18 mei werd er gevochten, mede met hulp van Franse troepen. Bij hun aftocht zonken bijna alle Provinciale veerboten in de haven Breskens. De Fransen wilde hiermee voorkomen dat de veerboten in handen van de Duitsers zouden vallen.
Ook de Hulpmijnenlegger I zonk in de haven van Breskens, nadat Franse troepen vervoerd waren. De Hulpmijnenlegger II kwam ongeschonden uit de strijd en kwam al vrij snel weer in de vaart als Koningin Emma in bezet Zeeland.