Koplading op de Oosterschelde
De dienst tussen Zierikzee ‘t Luitje en Katseveer werd begin jaren 50 uitgevoerd door de zijlader Koningin Emma. Aangezien de veerboot door het havenkanaal naar de kade bij ‘t Luitje moest varen zocht men naar een oplossing.
Besloten werd een nieuwe veerhaven te bouwen bij De Val, direct aan de Oosterschelde. Begin 1954 doet het College van Provinciale Staten een belangrijke uitspraak over de verbetering van de veerdienst. De nieuwe veerhaven bij De Val zou geschikt worden gemaakt voor kopladingsveerboten.
In Vlissingen kon al vanaf 1928 gebruik worden gemaakt van koplading door speciale aanleginrichtingen in Vlissingen en Breskens en de nieuwe kopladingsveerboot Koningin Wilhelmina uit 1927. Juist dit schip speelde een grote rol in de plannen voor verbetering van het Oosterscheldeveer.
De Koningin Wilhelmina zou met de komst van twee nieuwe, 100 meter lange veerboten voor de Westerscheldedienst binnen afzienbare tijd overbodig worden door haar geringe capaciteit. Daarom had het College een oogje laten vallen op deze veerboot.
Het uiteindelijke doel was een uurdienst te kunnen uitvoeren, hetgeen met de zijladingsveerboten onmogelijk was. Uiteindelijk werden de plannen voor het aanleggen van een kopladingsinrichting tijdelijk in de ijskast gezet. Wel werd de haven van De Val zo aangelegd dat er alsnog een fuik gebouwd kon worden.
Op 31 mei 1958 werd de veerhaven van De Val geopend. Maar al in november kwam het kopladings idee weer ter sprake. Opdracht was gegeven om de aanleg van fuiken te onderzoeken. De uitkomst van dit onderzoek resulteerde in een voorstel van Gedeputeerde Staten tot het bouwen van een fuik.
De haven van De Val was geschikt voor veerboten tot een lengte van 60 meter. Wel zou het noodzakelijk zijn een pier aan te leggen bij de haveningang. Ook werd in overweging genomen een geheel nieuwe veerhaven aan te leggen naast De Val. Hoewel die optie hoge kosten met zich mee zou brengen en de Provincie onoverkomelijk moeilijkheden zou opleveren.
Om een goede veerdienst te onderhouden zouden schepen met een snelheid van minstens 12 mijl wenselijk zijn. De Koningin Emma haalde met moeite 10 mijl per uur. De laatste optie was de bouw van een geheel nieuwe zijlader.
Deze gehele veerbootproblematiek moet gezien worden in het licht van de Deltawerken. De Oosterschelde zou pas als laatste worden afgesloten en het plan een brug te bouwen was nog niet aan de orde geweest. Waar men zich wél zorgen over maakte was het gereedkomen van de Haringvlietbrug, waardoor een veel grotere stroom verkeer Schouwen-Duiveland zou bereiken.
Het kopladingsplan werd begin jaren 60 verder doorgerekend en in 1961 werd de uitkomst gepubliceerd. Een kopladingsveerdienst tussen Zierikzee en Kats zou per etmaal 1200 auto’s te verwerken krijgen, evenveel als Vlissingen-Breskens per dag verwerkte in 1960!
Duidelijk was dat de zijladers het niet meer aankonden. De veerdienst verbeteren zou bovendien een enorm begrotingstekort opleveren terwijl het vervoersaanbod door de aanleg van de Deltawerken gestaag zou stijgen. De Koningin Wilhelmina was inmiddels verkocht aan de TESO en de andere veerboten waren hard nodig op Kruiningen-Perkpolder.
Toen men bij de Provincie nog verder doorrekende werd besloten voor een andere optie te gaan: het bouwen van een brug. Op 29 mei 1962 werd het besluit genomen en op 15 december 1965 voer de Koningin Emma voor het laatst de Oosterschelde over..




